J. Kessels heet Lennox in De goede zoon van Rob van Essen. In het eerste hoofdstuk van de roman neemt de brutale vriend en verteller, een sullige schrijver van plotloze thrillers, mee op een vage missie waarbij ze onder andere een nachtclub aandoen. Het volgende hoofdstuk begint in de Jiskefet-kantoormodus, gevolgd door passages over een zwaar gereformeerde jeugd. De roman zet allemaal vinkjes bij onderwerpen die Nederlandse lezers boeien.

Maar ik zou Rob van Essen tekort doen als ik het daarbij liet. Hij schrijft in een heerlijke fuckyoumodus, gaat zelfs een paar keer de discussie aan met zijn eindredacteur, dist een onwaarschijnlijk plot op over een geheime organisatie met tientallen werknemers die over lijken gaat om het leven van de hoofdpersoon in de gewenste banen te leiden. En dan is er nog iets met zelfrijdende auto’s annex psychiaters en een apparaat waarmee je door iemands hoofd kunt lopen (Malkovich!).

Lees meer Rob van Essen: De goede zoon

Soms heb je van die voetbalwedstrijden die veelbelovend van start gaan, met een paar snelle aanvallen en een bal op de paal, bijvoorbeeld, maar waar daarna de klad in komt. Je kunt niet zeggen dat er niks gebeurt, want de bal wordt nog steeds heen en weer geschoven, maar de spelers zijn door angst voor een tegendoelpunt bevangen. Ergens weet je wel dat het 0-0 zal blijven, maar je kijkt toch verder in de hoop op iets van bevrijding. Dat gevoel bekroop me bij het lezen van Die Angst des Tormanns beim Elfmeter, de klassieker uit 1970 van Peter Handke, die al snel verfilmd werd door Wim Wenders.

Het verhaal draait om monteur Joseph Bloch, die op een dag wegloopt van zijn werk omdat hij denkt ontslagen te zijn. Dat blijft Bloch de hele roman door doen, ergens in een impuls naartoe gaan, er na aankomst niet weten wat te doen en dan weer weglopen. In het begin vermoordt hij een vrouw met wie hij is meegegaan. Daarna is hij op de vlucht voor de politie, maar daar lijkt hij zich niet bijzonder druk om te maken. Bloch blijft hangen in een grensdorpje waar hij niks te zoeken heeft behalve een oude vriendin die niets meer is dan dat.

Lees meer Peter Handke: Die Angst des Tormanns beim Elfmeter

Dit is een van de raarste boeken die ik de laatste jaren gelezen heb. De vette jaren van Chan Koonchung is een roman. Maar het bevat ook lange sociaal-economische verhandelingen over het huidige China en politieke beschouwingen. Het verhaal is daaromheen gebouwd. Normaal zou je zeggen: mislukt als roman. Maar dat is dan ook weer niet het geval.

De hoofdpersoon is Lao Chen, een succesvolle schrijver van Taiwanese afkomt die al jaren in Beijing woont. Hij krijgt bezoek van zijn vriend Fang Caodi, die hem vertelt dat er een hele maand verdwenen is. Direct na de wereldwijde economische crisis van 2008, die voor China juist vette jaren inleidde, zijn 28 dagen verdwenen uit de boeken. Niemand weet meer wat er toen gebeurd is, zelfs als hij die dagen zelf heeft meegemaakt. Fang wil dat zijn vriend hem helpt de verloren maand terug te vinden.

Tijdens de ongerichte zoektocht die volgt, passeren verschillende andere karakters de revue, die ieder hun levensverhaal mogen vertellen. Er zit een half uitgewerkte liefdesgeschiedenis bij, maar vooral veel dialogen over de recente Chinese geschiedenis. Chan Koonchung hanteert daarbij een droge, feitelijke stijl zonder beeldspraak of andere poespas. Er moet een deus ex machina aan te pas komen om op de laatste pagina’s die verdwenen maand uit te leggen.

Ondanks de literaire tekortkomingen is De vette jaren echter een intrigerende roman, die op het Chinese vasteland niet officieel verkrijgbaar is. Dat komt door het omineuze beeld dat het van China schetst als een land met een falend geheugen, met een bevolking die zich met materiële welvaart laat ringeloren door een elite die voorgeeft met iedereen het beste voor te hebben. Wie dit leest begrijpt een beetje beter waarom de inwoners van Hong Kong zo tegenstribbelen, soms hoopvol, soms met de moed der wanhoop.

Pegida demonstreert graag in de buurt van moskeeën. Kennelijk verkeert men in de veronderstelling dat met name moslims gewaarschuwd dienen te worden tegen het naderende onheil der islamisering. Ik snap die redenering niet helemaal, maar soit. Er komt vaak heibel van. Afgelopen weekend werd de complete alt-meute afgevoerd in een poging klappen op te lopen bij een Eindhovense moskee waar dat vorige week niet gelukt was.

Enfin, wat ik mij dus afvroeg: kunnen we niet een mobiele lokmoskee bouwen, compleet met een over-the-top haatimam waarvan Mister Varkensbeuling en zijn pierewaaiers helemaal door het adrenalineplafond klappen? Dat wanneer ze een demo aankondigen, je als burgemeester tussen neus en lippen door kunt zeggen: ‘Nou ja, zo lang ze maar niet bij die moskee gaan barbecuen’. Ik durf te wedden dat ze er jarenlang intrappen. (sg)

Aan het eind van mijn recensie van De jaren Pep noteerde ik dat het beste Nederlandse stripwerk geleverd werd in de eerste tien jaren van opvolger Eppo. Logisch dus dat auteur Ger Apeldoorn een vervolg schreef, met de even logische titel De jaren Eppo. De formule is hetzelfde: een chronologisch overzicht van de gepubliceerde strips en de redactionele afwegingen erachter, met heel veel illustraties.

Natuurlijk is het leuk om al die oude strips voorbij te zien komen, naast de evergreens (Agent 327, Storm, Franka) ook al die prachtige strips die in de vergetelheid zijn geraakt (Professor Palmboom, Steven Severijn en heel wat werk van Dick Matena). Maar eigenlijk is de stripgeschiedschrijving erachter veel interessanter. Ger Apeldoorn weet die nostalgische snaar ook goed te raken.

Lees meer Ger Apeldoorn: De jaren Eppo

Afgelopen weekend hield de Thierry Jugend een toogdag om hun Führer te bewieroken (ik snap niet waarom u nu ‘Godwin’ denkt – het zijn gewone Duitse woorden, die mij geen enkele assiociatie met de Tweede Wereldoorlog oproepen). Bij die gelegenheid sprak de puppyführer het soort woorden dat ook wel eens door fascisten gebezigd wordt. Dat zegt natuurlijk niks. Fascisten zeggen ook wel eens ‘ober, twee bier, alstublieft’ en dat is evenmin een reden om iedere bierkelder verdacht te maken.

Enfin, wat ik wil zeggen: wilt u nou eindelijk eens ophouden met de vaderlandse alt-right ‘fascisten’ te noemen? De correcte term is ‘falangist’. Fascisten schermen niet met joods-christelijke poespas. De combinatie van zieligdoenerij, melodramatisch gedweep met religieuze roots en een neiging anderen het licht in de ogen niet te gunnen, heet falangisme. Dat wilde ik even zeggen. Dankuwel. (sg)

Het Bataafsch Genootschap der Proefondervindelijke Wijsbegeerte is een van de oudste verenigingen van Nederland. Het vierde afgelopen vrijdag het 250-jarig bestaan in Rotterdam. Ter gelegenheid daarvan werd een jubileumboek overhandigd aan HKH Prinses Beatrix. Het schrijven van teksten voor dat boek was mijn grootste klus van het afgelopen jaar.

Het grootste deel van het boek bestaat namelijk niet uit historisch terugblikken, maar uit verhalen van medici en technici uit Rotterdam en Delft, die de leden van het genootschap vormen. Proefondervindelijke wijsbegeerte was in 1769 namelijk de benaming voor wat we nu wetenschap noemen, het verwerven van kennis door proeven te doen. Ik sprak met acht (emeriti) hoogleraren over hun bijdragen aan het vakgebied (van audiologie tot zonnecellen), hun ambities en verwachtingen, hun gedachten bij de rol van de wetenschap in deze tijd. Het is een prachtig mooi boek geworden, maar in de handel komt het niet.

Hoewel vrijwel niemand van het Bataafsch Genootschap gehoord heeft (ook ik niet voordat ik de opdracht voor het boek kreeg), heeft het een grote rol gespeeld in de industriële ontwikkeling van Nederland, bijvoorbeeld bij de totstandkoming van het eerste stoomgemaal van Nederland. Tot de universiteiten honderd jaar geleden die rol overnamen, waren de genootschappen (er zijn er meer) de belangrijkste kapitaalverstrekkers voor wetenschappelijk onderzoek in Nederland.

Bijna alle oude gebouwen in Zuid-Korea, en zeker de hoofdstad Seoul, zijn nieuw. Dat heeft in de eerste plaats te maken met de Japanse kolonisatie aan het begin van de twintigste eeuw. Om de Koreanen de inferioriteit van hun cultuur in te peperen, zijn indertijd zoveel mogelijk paleizen en kloosters tot de laatste steen afgebroken. De tweede reden is de burgeroorlog die aan het einde van de kolonisatieperiode volgde. Wat je heden ten dage ziet, is allemaal herbouwd op basis van tekeningen.

Woede en wantrouwen jegens Japan zitten nog altijd diep in Zuid-Korea. Een van de plekken waar je dat ziet uitgedrukt is het stadhuis van Seoul. Voor ik dat uitleg even over de uitspraak van ‘Seoul’: je spreekt alle drie de klinkers afzonderlijk uit, maar in het tijdsbestek van één klinker. Dus ‘Suh-owl’, maar dan als één lettergreep. Maar goed, dat stadhuis dus. Het oude gebouw, pal tegenover een van de afgebroken paleizen, dateert uit 1925 en is gebouwd in Europese stijl. Het is lang in gebruik gebleven.

Lees meer Hoe het stadhuis van Seoul een statement maakt

Ik René Tardi, krijgsgevangene in Stalag IIb, is het levensverhaal van de vader van striptekenaar Jacques Tardi. De eerste twee delen beschreven zijn verblijf in het krijgsgevangenkamp en de terugkeer naar Frankrijk. Het derde deel speelt zich na de oorlog af, als René ondanks zijn ervaringen besluit in het leger te blijven en in Duitsland wordt gestationeerd.

Omdat Jacques hier geboren wordt, moet hij de verteltechniek van de eerste delen loslaten, waarbij hij zijn vader vergezelde tijdens diens ontberingen. In plaats van in dialoog met zijn vader is hij hier beschouwer. Eigenlijk gaat het ook weinig meer over René. Meestentijds vertelt de tekenaar over zijn jeugd in het Frankrijk en Duitsland van de wederopbouw. De historische uitleg neemt af en toe wel heel veel ruimte en het cynische gemopper op de menselijke wreedheid ken je op een gegeven moment ook wel.

Kortom, dit derde deel is een beetje overbodig. Begrijpelijk dat Tardi het wilde vertellen – en leuk om te lezen hoe hij als zevenjarige al strips verslond en voortdurend bezig was met tekenen. Maar het verhaal van zijn vader was na het tweede deel eigenlijk klaar.

Ooit waren ze de trots van de boreale steppen, tegenwoordig slijten ze hun leven in de marges van de maatschappij: witte mannen, of zoals ze zelf liever zeggen ‘wittemangemaakten’. Een actiegroep vraagt aandacht voor hun lot en pleit voor een monument.

Hoewel de Nederlandse samenleving veel aan hen te danken heeft, lijkt er tegenwoordig weinig waardering te bestaan voor witte mannen. Dat meent althans de actiegroep ‘Blank en Blij’, die zich inzet om de gemarginaliseerde groep te emanciperen.

Lees meer &?8216;Monument nodig voor wittemangemaakten&?8217;