U gebruikt een verouderde browser. Om die reden werkt deze site wellicht niet naar behoren.Direct naar hoofdinhoud

Resultaten voor de categorie Literatuur

Becks laatste zomer is de debuutroman van de Duitse schrijver Benedict Wells, die onlangs in het Nederlands vertaald werd na het grote succes van Het einde van de eenzaamheid. Je kunt het lezen als vrolijke, licht melancholische roman over volwassenwording, maar onder het oppervlak smeult een complexe vertelling over herinneringen en dromen. Beck komt op 12 juli naar Rotterdam om erover te vertellen (kaartjes).

Robert Beck is een gewezen rockmuzikant, die leraar is geworden op een middelbare school in München. Een van zijn leerlingen is de Litouwse Rauli, een muzikaal genie in de dop. Beck neemt hem onder zijn hoede, deels omdat hij oprecht wil dat de jongen slaagt, deels omdat hij hoopt via Rauli zijn eigen muziekcarrière weer een boost te geven. Rauli staat er ook dubbel in: hij is dankbaar dat Beck zijn leermeester wil zijn, maar beseft ook dat die hem niet zal brengen waar hij naartoe wil. Beck is een maatje te klein voor Rauli.

Lees meerBenedict Wells vertelt in Rotterdam over Becks laatste zomer

Bij toeval las ik direct achter elkaar twee novellen waarin vrouwen een gedaanteverandering ondergaan. In Lady into Fox van David Garnett verandert een vrouw plotseling in een vos, terwijl Andrew Kaufmans The tiny wife gaat over een vrouw die begint te krimpen. Er zit bijna een eeuw tussen de publicatie van beide boeken, maar ze laten zich goed vergelijken.

In David Garnetts novelle is de transformatie zelf een gegeven. Het gebeurt direct in het begin van het verhaal, zonder verklaring. Daarna gaat het over de worsteling van haar echtgenoot om van haar te blijven houden, terwijl zij steeds meer haar menselijke trekken verliest. Ze verscheurt haar kleren, verliest haar tafelmanieren, houdt niet meer van lezen, neemt een vogel te grazen en probeert te ontsnappen. Dat laatste lukt uiteindelijk, waarop haar man ook aan het zwerven slaat, nog altijd in de hoop zijn geliefde terug te winnen. In feite begint het verhaal met één absurditeit, waarvan de consequenties vervolgens worden uitgewerkt.

Lees meerTwee novellen over muterende vrouwen

De burgemeester heeft een oogje op de vrouw van de molenaar. Dus laat hij op een avond de molenaar wegroepen door de politiecommissaris, maar vlakbij de molen valt hij lelijk in het water. De vrouw van de molenaar, die de truc doorheeft, strijkt de hand over het hart en stopt de burgemeester in bed, terwijl ze zelf de dokter gaat halen. De molenaar, ondertussen, ontsnapt aan de politie en keert huiswaarts, waar hij de burgemeester in zijn bed aantreft. Woedend trekt hij diens kleren aan en spoedt zich naar de stad om de burgemeestersvrouw te verleiden. En dan …

Enfin, veel diepzinnigheid komt niet te pas aan het plot van Pedro Antonio de Alarcóns novelle The three-cornered hat, gebaseerd op een Andalusisch volksverhaal. Maar de auteur dient het allemaal smakelijk op en het was bij verschijnen (1874) dan ook een groot succes. Later werden er nog een opera en een ballet van gemaakt. Prima boekje voor een avond licht vermaak.

Schuur nummer twaalf kijkt neer op nummer 13 en 14. De laatste bevatten namelijk vaten zuurkool, terwijl hij de trotse bewaker is van een stel mooie fietsen. Dan slaat het noodlot toe: schuur nummer twaalf wordt verkocht. De fietsen gaan weg, er komt een vat ingelegde komkommerlijken voor in de plaats. Vat en schuur mogen elkaar niet. Dat kan alleen maar verkeerd aflopen – en dat doet het dan ook in de verhalenbundel The blue lantern van de Russische auteur Victor Pelevin.

Schuur nummer twaalf is niet de enige, laten we zeggen, minder gebruikelijke hoofdpersoon in de verhalen. Er zijn bijvoorbeeld ook twee kuikens die proberen te ontsnappen aan de slacht, twee cocaïne snuivende soldaten die communisten in Sint Petersburg moeten tegenhouden tijdens de revolutie van 1917, en een vrouw die een handeltje heeft in het tot leven wekken van omgekomen Duitse soldaten, om ze te laten trouwen met Russinnen die zo een visum voor het westen proberen te bemachtigen.

Knettergek is de beste omschrijving voor Pelevins verhalen, maar ze boeien niettemin. Want knettergek was ook de tijd (begin jaren negentig) waarin Pelevin de verhalen schreef. Het verhaal van de kuikens, bijvoorbeeld, valt goed te lezen als een parabel over twee dissidenten die liever voor het grote onbekende kiezen dan dat ze bij de groep blijven. Knettergek, zeker, maar minstens zo fantasievol en intrigerend.

Welbeschouwd is het nogal wonderlijk dat Kameraad Kisljakov van Pantelejmon Romanov überhaupt heeft kunnen verschijnen in de Sovjet Unie onder Stalin. Goed, de roman werd na verschijning snel verboden, maar Romanov slaagde erin nog jarenlang te leven en zelfs een natuurlijke dood te sterven. Terwijl samenwerken met de communisten toch vrij onverholen met hoererij wordt vergeleken en ook anderszins weinig fraais over de rode heilsstaat te lezen valt.

Het verhaal: Ippolit Kisljakov is medewerker van het Centraal Museum te Moskou en behoort daarmee tot de intelligentsia. Een rustig leventje dat verstoord wordt door de aanstelling van een nieuwe directeur, die het museum meer in lijn moet brengen met het nieuwe regime. Het is duidelijk dat dit niet voor iedereen goed gaat aflopen. Kisljakov besluit er het beste van te maken en zorgt dat hij niet al te opvallend in het gevlei komt bij de nieuwe directeur. Gaandeweg neemt hij meer afstand van zijn oude collega’s, die een voor een worden weggestuurd. Romanov observeert:

Het volk, het proletariaat, dat zo aandoenlijk en geweldig was geweest zolang het door andere klassen was mishandeld, was helemaal niet meer aandoenlijk en geweldig toen het deze klassen zelf begon te mishandelen en daarbij op de meest directe manier van zijn eigen bestaan te kennen gaf, dat wil zeggen, met boerenhemd en laarzen alle instellingen binnenliep en zijn plek innam.

Lees meerPantelejmon Romanov: Kameraad Kisljakov

Net als in de jongste roman van Ester Gerritsen wordt er in De heilige Rita van Tommy Wieringa stevig geloofd, op katholieke wijze. Dit keer niet in een klooster maar op het Twentse platteland, tegen de Duitse grens aan. Hoofdpersoon is Paul Krüzen, een eenling die nooit verder gekomen is dan de boerderij van zijn ouders, waar hij nog altijd voor zijn oude vader zorgt. Hij drijft er een handeltje in militaire memorabilia.

Pauls moeder is er ooit vandoor gegaan met een Russische piloot die – en dit mogen we toch echt een Wieringaiaanse wending noemen – tijdens de Koude Oorlog onder de radar van het IJzeren Gordijn door vloog en in het maisveld achter de boerderij crashte. De Rus werd ondervraagd door de autoriteiten, die verder niet wisten wat ze met hem moesten, zodat ze hem maar op de boerderij terug bezorgden. Hij bleek uiteindelijk een interessantere man dan de introverte boer.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de flashbacks van de Rus de sterkste passages vormen in De heilige Rita. Het treurige gehannes met de dorpsgenoten, het bordeel net over de grens, het dorpje dat door immigranten overeind wordt gehouden tot ook die vertrekken, de leegte van het landschap, het is allemaal prachtig beschreven, maar het ontbeert de vonk van inventiviteit. Nog steeds een sterk boek, maar niet Wieringa’s beste, zoals de recensent van het AD suggereerde.

Ter voorbereiding op de komst van Esther Gerritsen naar Worm Rotterdam op 24 april (koop kaartjes!) las ik haar nieuwste roman, De trooster. Wie de letterenscene een beetje volgt weet waar die over gaat, want zo’n beetje alle kranten hebben er aandacht aan besteed. Maar in het kort: Jacob, de concierge van een klooster, wint tegen zijn zin het vertrouwen van een gast, Henry Loman. Er ontwikkelt zich een vriendschap waarbij Jacob steeds meer het gevoel krijgt dat hij Henry moet redden.

De trooster leest bij vlagen als een inleiding in het katholicisme. Het lijkt een nieuw thema in Gerritsens werk, maar op de achtergrond heeft het geloof altijd een rol gespeeld. In een van haar eerste toneelstukken (dat ik ergens in 1999/2000 zag) speelde een bisschop een opvallende rol. Hij stond in de keuken. De toeschouwers kregen hem niet te zien, maar de bisschop drong zich wel op in de conversatie.

Uiteindelijk gaat het boek echter niet over geloof, maar over Jacob, die vrij gemakzuchtig in het leven staat en nu geconfronteerd wordt met een opdracht, die hij eerst van zich af probeert te schuiven maar waarmee hij zich uiteindelijk zo identificeert dat hij zijn eigen en andermans grenzen overschrijdt. Knap geschreven door Gerritsen, die de lezer schijnbaar moeiteloos door een plot leidt dat een even logisch als verrassend eind kent.

Zes verhalen telt de bundel Fortune smiles van de Amerikaanse schrijver Adam Johnson, die er in 2015 de National Book Award mee won (nadat hij eerder al een Pulitzer Prize binnensleepte voor zijn roman The Orphan Master’s Son). Zes totaal verschillende verhalen zijn het, maar ze hebben gemeen dat hun hoofdpersonen curieuze outsiders zijn.

Neem het titelverhaal, waarin twee Noord-Koreaanse deserteurs centraal staan. Ze proberen in te burgeren in Seoul, maar een van de twee heeft heimwee en komt erachter dat terugkeren moeilijker is dan vluchten. In het noorden moesten ze voortdurend op eieren lopen om niet in ongenade te vallen, maar ze stelden tenminsten wel wat voor. In Seoul zijn ze niemand. In een vergelijkbare positie bevindt zich de voormalige Oost-Duitse gevangenisdirecteur, nog altijd trots op de orde die hij handhaafde, die met lede ogen toeziet hoe zijn instelling nu aan toeristen getoond wordt als een afschrikwekkend voorbeeld van de geschiedenis.

Zo is er ook een voormalige pedofiel die zich ineens het lot moet aantrekken van twee jonge buurmeisjes en een nerd die een perfecte computersimulatie van Kurt Cobain maakt om zijn zieke vrouw te plezieren. Allemaal karakters van wie je niet meteen weet wat je van hen verwachten mag. Adam Johnson is een groot verteller die in staat is je in andermans gedachtenwereld te brengen om hun drijfveren te leren kennen, ook als die nogal dubieus zijn.

Sadegh Hedayat, van wie ik eerder de verhalenbundel Three drops of Blood las, was geen lachebekje. Zijn bekendste werk, De blinde uil, waarvan onlangs een nieuwe uitgave verscheen, is daarop geen uitzondering. De Iraanse schrijver (1903-1951) beschrijft de duistere, hallucinante gedachten van een man op weg naar de dood.

Van een plot kun je moeilijk spreken. Hij verlangt naar een vrouw die hij gekend heeft (of misschien alleen maar gezien). Zijn oom bezoekt hem. Als hij reikt naar een oude fles wijn om zijn gast in te schenken ziet hij boven de kast een raam dat daar niet was. Door het raam ziet hij de vrouw. Als hij zijn aandacht weer naar zijn gast verlegt, is die verdwenen. Het raam blijkt ook onvindbaar. Geen van de gebeurtenissen in De blinde uil hoeft werkelijk plaats te vinden. Het gaat om de naargeestige, wanhopige sfeer die Hedayat wil oproepen.

Dat lukt goed. De blinde uil is stilistisch en narratief sterk. Je moet wel houden van dit soort zwarte romantiek. Anders gaat overdosis aan Weltschmerz je waarschijnlijk tegenstaan.

Op een schip van New York naar naar Buenos Aires leert de verteller in Schachnovelle, een literair kleinood van Stefan Zweig, de zonderlinge schaakgrootmeester Mirko Czentovic kennen. Al is kennen leren misschien wat sterk uitgedrukt, want Czentovic communiceert nauwelijks. Wel gaat de grootmeester in op het verzoek van een Amerikaan om tegen betaling een partij te spelen tegen de verzamelde belangstellenden. Ze verliezen uiteraard smadelijk, maar tijdens de revanche fluistert een onbekende man de Amerikaan een paar zetten in die tot remise leiden. Daarna treedt de onbekende, dr B., aan tegen de grootmeester en wint.

De kern van Schachnovelle is niet de partij aan boord, maar de levensverhalen van Czentovic en dr. B., twee totaal verschillende mensen, een eenvoudige boerenjongen die talent voor schaken blijkt te hebben en zijn leven eraan wijdt, versus de adellijke jurist die in eenzame opsluiting een schaakboek gebruikt om geestelijk gezond te blijven tussen de Gestapoverhoren door.

De Oostenrijker Zweig schreef de novelle in ballingschap in Brazilië. Het verscheen in 1942, het jaar van zijn zelfgekozen dood. Schachnovelle gaat over het overwinnen van tegenslagen, iets wat Zweig zelf niet kon opbrengen. Vooral het verhaal van dr B. is beklemmend.



×