U gebruikt een verouderde browser. Om die reden werkt deze site wellicht niet naar behoren.Direct naar hoofdinhoud

Resultaten voor de categorie Literatuur

Een besmettelijke ziekte, overgebracht door muggen, heerst in de stad. Iedereen blijft binnen. De naamloze held heeft zich eindelijk het bed van de buurvrouw in gekletst als zijn telefoon gaat. De baas van een criminele clan aan de lijn. Hij moet een klus doen. De Mexicaanse auteur Yuri Herrera slaagt er in The transmigration of bodies opnieuw in om binnen een paar pagina’s een onwerkelijke sfeer te scheppen, net als in Signs preceding the end of the world.

Het plot, dat tegen het eind een beetje rammelt, is eigenlijk niet zo belangrijk. Het gaat om de vanzelfsprekendheid waarmee iedereen berust in een maatschappij waarin geweld de norm is. Toeval, onhandigheid, misverstanden – het zijn de belangrijkste oorzaken van de strijd tussen de twee clans. De held heeft de gave om ze met woorden uit elkaars haren te houden. Terwijl hij dus zo snel mogelijk weer met de buurvrouw de koffer in wil duiken.

The transmigration of bodies is een hard-boiled detective in de barrio. Verlaten straten, personages die wel bijnamen hebben maar geen echte, handelingen die alleen maar fatalisme uitstralen. Alles door Herrera in eenvoudige zinnen geschetst. Je vraagt je af hoe hij dat in ’s hemelsnaam voor elkaar krijgt, je met zo weinig middelen meesleuren in zijn wereld.

Vier Hongaarse militairen zitten in een cel, ergens tijdens de Tweede Wereldoorlog. Opgesloten door hun eigen regering vanwege hun aandeel in een moordpartij dat het leger in januari 1942 heeft aangericht in de stad Újvidék (Novi Sad, in het noorden van Servië, waar een groot deel van de bevolking etnisch Hongaars is omdat het gebied tot 1918 bij Hongarije hoorde). Zo begint de novelle Cold Days van Tibor Cseres, die als soldaat de stad bezocht in de maanden na de ‘zuiveringen’, die bijna 4000 mensen het leven kostten. Pas twintig jaar later durfde hij erover te publiceren. Hij kreeg er veel kritiek om te verstouwen.

Wat precies de verhoudingen zijn tussen de vier wordt pas in de loop van het verhaal duidelijk, als ze stukje bij beetje vertellen waarom ze gedaan hebben wat ze deden. De officieren onder hen waren bezig met het vinden van comfortabel onderkomen en het regelen van amoureuze zaken. De recruut had honger en leed onder de kou. De bevolking, in elk geval de Joden en Serviërs onder hen, was vijandig. Er waren doden gevallen, als er geen maatregelen genomen werden, zou dat een vrijbrief voor een opstand zijn. De orders waren niet expliciet, maar duidelijk was dat er bloed moest vloeien om een voorbeeld te stellen.

Lees meerTibor Cseres: Cold Days

In een stad die we niet Aleppo of Damascus mogen noemen ontmoet een vrijgevochten jonge vrouw een behoedzame jongeman. Hij vindt haar spannend, zij krijgt van hem ruimte. De twee krijgen iets met elkaar, terwijl een enkele aanslag uitgroeit tot een burgeroorlog en daarna onderworpenheid aan een onberekenbaar, kwaadaardig regime. Dan doet het gerucht de ronde dat in de stad deuren bestaan waardoor je naar het westen kunt stappen – en begint het verhaal van Mohsin Hamid in Exit West pas echt.

De deuren zijn uiteraard een metafoor voor mensensmokkelaars. Je betaalt hen en stapt een onbekende schaduwwereld in waarin je niks meer te zeggen hebt en maar moet zien waar je belandt. In het geval van Nadia en Saeed is dat een vluchtelingenkamp op het Griekse eiland Mykonos, vervolgens een door vluchtelingen gedomineerde wijk in Londen en tot slot Californië. Maar anders dan bij Rodaan al Galidi is het vluchtelingencircus niet het onderwerp van Exit West. Het gaat om de relatie tussen de twee geliefden die verandert onder de omstandigheden.

Lees meerMohsin Hamid: Exit West

Ontdekt op vakantie in Oostenrijk: het werk van Michael Köhlmeier. Gevierd in eigen land, met ruim dertig werken op zijn naam, maar in Nederland niet bekend. Eén vertaling heb ik kunnen vinden. Ik las Sunrise en Der Unfisch. Met name de laatste is een fraaie parabel over liefde en hebzucht.

Het begint zo. Op weg naar een bergdorp overlijdt de artiest Roberto. Hij laat een opgezette walvis na, die tijdelijk op het dorpsplein geparkeerd wordt. Bijna een jaar later arriveert Sophie in het dorp om het graf van haar oom te zien en haar erfenis te claimen. Ze neemt haar intrek in de walvis. Wanneer ze de liefde bedrijft met de treurende Carl, verschijnt plotseling diens verloofde Maria op de stoep, die hem bij het altaar had laten staan. Een vrijpartij met Sophie blijkt wensen in vervulling te laten gaan. Zodra het dorp daar achter komt, zijn de rapen gaar.

Lees meerMichael Köhlmeier: Der Unfisch &?038; Sunrise

Als het niet met zoveel gevoel voor humor geschreven zou zijn, was Hoe ik talent voor het leven kreeg van Rodaan Al Galidi een schrijnend boek geweest. En eigenlijk is het dat nog steeds, als je bedenkt dat het de weerslag is van negen jaar wachten in een AZC. Nog altijd beter dan in een Iraakse cel, natuurlijk, maar dezelfde uitzichtloosheid: zal ik ooit weer een vrij mens zijn?

De verteller van de roman is Semmier. Geen alter ego van hemzelf, bezweert Al Galidi, maar een alter ego van vele asielzoekers die er wat van proberen te maken. Een bonte stoet aan karakters trekt voorbij. Fettah die voor alle Nederlanders bang is, Sikri die iedereen bespioneert, Kristi die van Semmier een vader voor haar zoontje probeert te maken, Abdoelwahid die probeert een verblijfsvergunning te bemachtigen door zich als christen voor te doen, Jelena van wie iedereen zich afvraagt waarom ze nog niet door een pooier geronseld is. En er zijn de Nederlandse medewerkers van het AZC, bijna allemaal van goede wil, maar net zozeer gevangen in de regels van de bureaucratie als de mensen die ze moeten bewaken.

Lees meerRodaan Al Galidi: Hoe ik talent voor het leven kreeg

Nog geen half jaar geleden is het dat publicist Hans van Willigenburg en dichter Daniël Dee de Rotterdamse uitgeverij Douane nieuw leven inbliezen met de belofte het traditionele lezerspubliek van vrouwen tussen de 35 en 65 te gaan schofferen. En nu al ligt er een mooie najaarsfolder met daarin onder andere aangekondigd de (eindelijk!) debuutroman van Michelle van Dijk, die net de schofferingsleeftijd bereikt heeft.

Ons voornaamste motief om literair uitgever te willen zijn, is uitgerekend de belofte zelf verrast te worden: iets lezen (het liefst als eerste, natuurlijk) dat ons volkomen van de kaart veegt.

Aldus het voorwoord van de folder. Lijkt me een goed voornemen. Voor de stad Rotterdam valt het te hopen dat Douane slaagt in zijn opzet om een stevige voet aan de grond te krijgen als middelgrote uitgeverij. Met Rotown Magic doen we ons best om een literaire infrastructuur van Rotterdam te versterken met een festival en (internationale) talkshows. Een uitgeverij met landelijke impact mag eigenlijk niet ontbreken.

I am the laugh of a kookaburra. I am a currawong. I am a galah. I am a lyre because I am a lyrebird. I am a performer and I am superb.

Puur op die ene zin kocht ik de verhalenbundel Second Hand Rain van de Welshe schrijfster Georgia Carys Williams. Het zinnetje duidde op een kleurrijk personage. Maar het hoofdkarakter bleek daadwerkelijk een liervogel te zijn, een performer van jewelste, die in de dierentuin van Adelaide belandt nadat haar bos aan de kettingzaag ten prooi gevallen is.

Vogels, kinderen, een zeemeermin – geen van de karakters in Williams’ verhalen zijn standaard. De gebeurtenissen zijn niet uitzonderlijk, maar je krijgt ze wel vanuit een onverwachte invalshoek beschreven. Zo’n perspectief is knap, maar een verhaal gaat er niet van meeleven. Af en toe smokkelt Williams ook, kruipt ze bijvoorbeeld even in de rol van alwetend verteller om iets duidelijk te maken dat het kind niet zou opmerken.

Eén verhaal springt eruit, My sister the conductor. Over een jonge vrouw die haar dove zus, die ze altijd gehaat heeft, in huis neemt na de dood van hun moeder. Ze ontdekt dat ze intiem met haar kan communiceren door de trillingen die haar orgel produceert. Het zal geen toeval zijn dat dit het meest conventionele verhaal in de bundel is. Je voelt de kracht van Williams als schrijfster, maar ook dat die nog tot wasdom moet komen.

Het is al een kleurrijk gezelschap dat de naamloze notaris/verteller bijeen heeft op zijn kantoor aan Wall Street. Twee klerken die om beurten humeurig zijn en een loopjongen wiens voornaaste taak is bitterkoekjes te kopen voor de andere twee. Dan neemt hij Bartleby aan. Het begint goed, maar daarna stapelen de eigenaardigheden zich op.

Bartleby doet zijn kopieerwerk trouw, maar weigert mee te doen aan controlesessies. Gaandeweg doet hij steeds minder en uiteindelijk helemaal niets meer. Hij neemt zijn intrek in het kantoor en leeft van wat spaargeld. Op smeekbeden om zijn biezen te pakken reageert hij met zijn standaardzin: ‘Liever niet’. Uiteindelijk trekken de anderen uit het kantoor, maar daarmee zijn ze nog niet van hem af.

Lees meerHerman Melville &?8211; Bartleby de klerk

Over een paar weken komt de tweede roman van Arundhati Roy uit. Twintig jaar geleden verkocht ze zes miljoen exemplaren van haar eerste, The God of Small Things. Daarna verlegde ze haar aandacht naar links activisme. Tegen het kapitalisme en de vernietiging van het milieu. Vóór rechten van minderheden. En straks is er dus The Ministry of Utmost Happiness (vertaald als Het ministerie van Opperst Geluk).

Omdat ik het interview met Roy bij Boek & Meester (vrijdagavond 16 juni in De Doelen te Rotterdam, koop kaartjes!) moet voorbereiden heb ik hem alvast in huis. Geheim, natuurlijk, niet verder vertellen, maar hier is alvast een tipje van de sluier.

Lees meerDe nieuwe Arundhati Roy &?8211; ik heb &?8216;m al

Seynabou, de vertelster in Monoloog van iemand die het gewoon werd tegen zichzelf te praten van Dimitri Verhulst, is een hoertje zonder gezondheidsverklaring in een niet bij naam genoemde Senegalese stad. Dus mag ze niet mee naar het sjieke hotel van de blanke man die ze in nachtclub Le Loft gestrikt heeft. Ze moeten genoegen nemen met een vuil kot. Van sex komt het niet. De man is nukkig en ziek. Seynabou ruimt nog een keer zijn kots op en gaat ervandoor met de inhoud van zijn portemonnee, geld dat ze gewoon verdiend heeft. De volgende dag blijkt de man dood, en bovendien een beroemde wielerbelg. Seynabou heeft iets uit te leggen.

Dimitri Verhulst weet zijn personage aanvankelijk precies de juiste mate van treurigheid en psychologisch inzicht mee te geven. Dat hij een woord als ‘hineininterpretierungen’ in haar mond legt, vooruit. Maar op het moment dat het woord ‘Shakespeare’ valt, begint het verhaal aan geloofwaardigheid in te boeten. Steeds minder spreekt een Senegalees hoertje, steeds meer een Vlaamse schrijver die niet goed in haar vel past. Jammer, want Seynabou had haar eigen stem verdiend.



×