Blogs in de categorie Film

Vergeet het hele superheldenuniversum waarin Joker ontstond. Vergeet ook de vertolking van Heath Ledger. De man die Joaquin Phoenix neerzet in Joker heeft daar allemaal niks mee te maken. Dit is een film over een kwetsbare man die in zijn pijn en verwarring naar geweld grijpt om zichzelf te verdedigen. Misschien een beetje overdreven om die pestkoppen zo bloederig af te maken, denk je als kijker, maar ze hadden het er wel naar gemaakt.

Iedereen ziet dat Arthur een makkelijk doelwit is. De straatschoffies die zijn reclamebord afpakken en hem in elkaar slaan. De collega’s van de clowncentrale. De drie dronken bankiers in de metrowagon. Het publiek in de comedyclub. De televisiekomiek die een slachtoffer zoekt voor zijn show. Arthur ondergaat het, blijft altijd optimistisch. Dat zou best wel eens met zijn medicijnen te maken kunnen hebben, die worden wegbezuinigd door de gemeenteraad van Gotham. Er heerst chaos in de stad vanwege de economische malaise. De moord op drie bankiers door een clown werkt als een katalysator. De demonstranten hullen zich in clownsmaskers. De antiheld wordt een held.

Karikatuur

Joaquin Phoenix, vrijwel voortdurend in beeld, draagt in zijn eentje de film. Een man die best wel wat liefde had willen kennen, maar beseft dat dat er niet in zit. Er is wat te doen geweest dat hij geen realistische psychiatrische patiënt zou neerzetten. Dat zal best. Maar je kunt niet volhouden dat het een karikaturale vertolking zou zijn. Deze Joker is een personage met wie je kunt meevoelen. Een fantastische karakterrol. Ga dat zien.

Toch nog even terug naar de superhelden. Dankzij die link gaan heel veel mensen een karakterstudie bekijken die daar anders hun neus voor zouden ophalen. Dat is mooi. Maar vooral biedt dit een opening naar nog gelaagdere superheldenfilms. De Batmantrilogie van Christoper Nolan bracht al meer diepgang, maar goed en fout waren duidelijk gescheiden. Heath Ledgers Joker was fenomenaal maar volstrekt immoreel. Batman vertegenwoordigde het goede.

Die zekerheid vervalt na deze Joker. Ik ga geen plotwendingen weggeven, maar me wel dit afvragen: dat hele Wayne Enterprises waar Batmans fortuin op rust, deugt dat eigenlijk wel? De vleermuisman gebruikt het kapitaal om de misdaad in Gotham te bestrijden, maar welke rol heeft zijn bedrijf gespeeld bij het ontstaan van de ellende? Ik kijk uit naar een film waarin de rollen nog meer verschuiven.

Ergens aan het begin van Quentin Tarantino’s nieuwe film Once Upon a Time … in Hollywood komt in een flits een neonreclame TONYA voorbij. Het zal geen toeval zijn dat dit de glansrol was waarmee de Australische actrice Margot Robbie zich in de kijker speelde. Bij Tarantino is niets toeval. De bleue Sharon Tate die hij Robbie laat vertolken in zijn film steekt helaas flets af tegen de ongrijpbare Tonya. De actrice komt er deze keer bekaaid vanaf.

Once upon a time … is in de eerste plaats een excuus om Leonardo di Caprio in een onwaarschijnlijke hoeveelheid pakjes te steken, en Brad Pitt in strakke shirts. De mannen spelen een westernacteur in zijn nadagen en diens stuntman annex chauffeur annex klusjesman. Het verhaal speelt zich af in de aanloop naar de moord op Sharon Tate, maar heeft daar verder weinig mee van doen. Veel plot is er evenmin. Wat dat betreft heeft Tarantino Pulp Fiction nooit meer overtroffen.

De kracht van het scenario zit in de moeiteloze manier waarop de regisseur een tijdsbeeld van Hollywood anno 1969 vervlecht met beelden uit de films en televisieseries waarmee de mannen groot zijn geworden. De meeste filmverwijzingen zijn mij ongetwijfeld ontgaan, maar de eyecandy is fantastisch en de soundtrack is ook dik in orde (al heeft Tarantino wel heel veel nummers erin gepropt, terwijl hij toch bijna drie uur film heeft afgeleverd). Fijne cinematotaalervaring.

Zelfs op feestelijke foto’s van prijsuitreikingen, waarmee Capharnaum kwistig bedeeld werd, staat hoofdrolspeler Zain al Rafeea erbij met een intens droevige blik in zijn ogen. Zodra hij lacht, krijgt het iets geforceerds. Kortom, de hoofdrol is hem op het lijf geschreven, want veel om vrolijk van te worden dient zich niet aan in Capharnaum.

Zain (zo heet hij ook in de film) groeit op in een arm gezin in Beirut. Naar school gaan zit er niet in. Als zijn jongere zusje wordt uitgehuwelijkt, knapt er iets. Hij loopt weg van huis. Bij toeval vindt hij onderdak bij een Ethiopische gastarbeidster, die in een hutje woont met haar baby. Dat is even leuk, maar dan slaat het noodlot weer toe, en nog een keer. Het verhaal is een tranentrekker uit de school van Oliver Twist en Alleen op de wereld.

Dat de film niet in melodrama ontspoort is te danken aan het briljante spel van Zain. Of spel, waarschijnlijk is Zain gewoon zo, getuige de publiciteitsfoto’s. Een misantroop in het lichaam van een jongen, die iedere tegenslag als een vanzelfsprekendheid ervaart en slechts bij korte vlagen zijn frustratie uit.

Meestal staat Christian Bale in een hoofdrol garant voor een leep potje acteerwerk. Dus je zou zeggen: Dick Cheney, de vileine vice-president van George Bush, is wel iets voor hem. Maar of het nou aan de dikke lagen make-up ligt of niet, Bale’s Cheney komt in Vice nauwelijks uit de verf. Het blijft bij wat maniertjes, zoals lispelende woorden uit een scheve mond.

Misschien ook ligt het aan het eclectische scenario van regisseur Adam McKay. Hij wisselt historische passages af met een meta-verhaal en uitlegscènes. Net als in McKay’s film over de kredietcrisis, The big short (ook met Christian Bale), moeten er wel heel veel ballen tegelijk in de lucht blijven. Het klopt op zich allemaal wel, maar je ziet aan alle kanten dat er gepropt is. De ‘kleurloze’ Cheney heeft zich in zijn politieke carrière op zoveel vlakken misdragen dat het misschien wat te ambitieus is om het in één film te proppen. Ik vraag me ook wel af of het te volgen is als je niet enigszins ingevoerd bent in de materie.

Dit alles neemt niet weg dat er genoeg te genieten valt. Ik vond Sam Rockwell erg sterk als George Bush. Halverwege, bijvoorbeeld, begint ineens de aftiteling, waarna de film alsnog doorgaat. Ook als de echte aftiteling een eindje onderweg is, volgt er nog een interessante scène, die het pamfletkarakter van de film (moet je zien wat deze kerel allemaal aan smerigheid bekoksfoofd heeft) enigszins relativeert.

Ergens in Tokio, een vervallen huis met zes mensen erin. Oma leeft van haar pensioen, maar onderhoudt daarmee ook haar zoon Osamu, die zijn baan als dagloner in de bouw is kwijtraakt na een enkelbreuk. Haar schoondochter Nobuyo verdient als wasvrouw, maar ook dat is van korte duur. Nichtje Aki, stripteasedanseres, woont er ook. Schooljongen Shota is als klein kind uit een auto gestolen door de kinderloze Osamu en Nobuyo. Kleuter Yuri is blauwbekkend op een balkon gevonden met brandplekken op haar arm.

Het is een volstrekt disfunctioneel gezin dat regisseur Hirokazu Kore-eda opvoert in Shoplifters. Osamu en Shota winkelen systematisch zonder te betalen. Oma perst de zoon van haar overleden man bij diens tweede vrouw af, omdat hij niet wil dat zijn vrouw weet dat hun dochter Aki helemaal niet studeert in Australië. Dat laatste wordt tussen de regels door verteld, zoals zoveel meer in het verhaal. Alle karakters hebben hun eigen motieven, maar ze houden op hun manier veel van elkaar.

Om alle subtiele aanwijzingen tot de kijker te laten doordringen houdt Kore-eda een rustig tempo aan, dat af en toe wel heel erg traag is. Tegen het einde komt het verhaal kortstondig in een stroomversnelling. Je moet goed opletten om te begrijpen waarom Aki als enige in het huis achterblijft. Daarna meandert Shoplifters kalmpjes naar het einde – een lieve film over mensen die het tegenzit in het leven maar die er nietttemin het beste van proberen te maken met elkaar.

Een man zet zijn koptelefoon op, weer af, weer op. Veel meer gebeurt er niet in Den Skyldige, een (alweer) ijzersterke Deense thriller. Oké, politieman Asger Holm slaag uit pure frustratie nog een toetsenbord aan diggelen. Maar de camera komt de twee ruimtes op de meldcentrale niet uit. De actie is buiten. Asger wil er iets aan doen. Maar hij kan niet van zijn plek.

Het begint als hij een melding krijgt van een vrouw. Ze doet alsof ze met haar dochtertje belt, maar wil alarm slaan omdat ze wordt ontvoerd. Via haar telefoonnummer achterhaalt Asger al snel wie ze is en wie de man is die haar voor het oog van haar kinderen heeft weggesleurd. Maar verder moet hij het overlaten aan de politiemensen in het veld. Die kunnen de auto niet vinden. De vrouw belt terug. Je voelt dat dit niet lang meer goed gaat (als u zich afvraagt waarom de kidnapper haar toestaat te bellen: wacht maar af).

Als kijker word je deelgenoot van Asgers frustratie. Net als hij beland je op het puntje van de stoel, je bewust van de dreigende situatie en even machteloos. Fantastisch acteerwerk ook van Jakob Cerdergren, die continu in beeld is en de film dus in zijn eentje moet dragen. Vet compliment ook voor het script van Emil Nygaard Albertsen en Gustav Möller. De laatste regisseerde ook de film, zijn eerste, die in dertien dagen werd opgenomen.

Toegegeven, ik heb geaarzeld bij Death of Stalin, de satirische film over de machtsstrijd binnen de Sovjet-Unie na de dood van de wereldrecordhouder massamoord. Grappen en grollen tegen de achtergrond van de willekeurige moordpartijen, kan dat eigenlijk wel? Het bijkt te kunnen, vooral omdat de humor nergens de gruwelen bagatelliseert, maar juist de cynische machinaties erachter accentueert.

In de hoofdrol zien we Steve Buchemi, die als Nikita Chroestsjov hetzelfde karakter neerzet als altijd: ongeduldig, bozig, zich wanhopig en gelaten afvragend waarom hij omgeven is door incompetente sukkels als Vyacheslav Molotov (Michael Palin, altijd in vorm als verstrooide wijfelkont). De enige ander in het politbureau die iets voorstelt is Lavrenti Beria (met duivels genoegen gespeeld door de vrij onbekende Simon Russell Beale). In de film wordt mooi duidelijk dat de machtsstrijd niet alleen tussen Chroestsjov en Beria gaat, maar ook tussen het leger en de geheime dienst.

Er wordt gesold met het lijk van Stalin, sprintjes getrokken om het eerst bij zijn dochter in het gevlei te komen – af en toe is de film regelrechte slapstick. Maar telkens weer als je geneigd zou kunnen zijn het te vergeten, drukt regisseur Armando Iannucci je met de neus op de feiten. Dat sprintje van zwaarlijvige mannen lijkt kinderachtig, maar het is een kwestie van leven of dood. De kleinste steek laten vallen en je hebt ineens een kogel in je hoofd, zoals Beria aan het eind ondervindt. Ja, er mag gelachen worden, maar niet zonder alles uiterst serieus te nemen.

Tonya Harding was de eerste Amerikaanse kunstrijdster die de driedubbele axel beheerste, maar is de geschiedenis ingegaan vanwege haar betrokkenheid bij een poging haar rivale Nancy Kerrigan het ziekenhuis in te slaan. Iedereen haat Tonya. Maar niet meer nadat je de biopic I, Tonya gezien hebt, gebaseerd op “wildly contradictory interviews” met de betrokkenen.

Tonya heeft niet de frêle elegantie die van kunstrijdsters verwacht wordt. Ze ziet eruit alsof ze dagelijks hout hakt, merkt haar coach op. Dat komt omdat ze iedere dag hout hakt, zegt haar moeder, een verschrikkelijk mens dat haar dochter mishandelt. Tonya vlucht het huis uit, trouwt jong. Haar man mishandelt haar ook. En dan klaagt dat nufje van een Kerrigan als ze ook eens een keer klappen krijgt. Terwijl Tonya niet beter weet dan dat die bij het leven horen.

Lees meer Prachtfilm: I, Tonya

Katharine Graham was de uitgeefster (en eigenaar) van The Washington Post ten tijde van de Pentagon Papers en Watergate. De eerste vrouwelijke CEO in de Fortune 500. Ze was weliswaar in de veertig toen ze aan het roer kwam, maar de krant was van haar vader geweest en ze bewoog zich haar hele leven al in de hoogste kringen in Washington. Formeel was ze misschien ‘huisvrouw’, maar in werkelijkheid natuurlijk een formidabele vrouw die zich door niemand de wet liet voorschrijven.

Daarom steekt het zo dat ze door Meryl Streep, in de verfilming van de affaire rond de Pentagon Papers, als een wijfelkont wordt neergezet. Er komen bijna traantjes aan te pas als ze het voortbestaan van de krant op het spel zet door tot publicatie over te gaan (The New York Times, die de primeur had, had op dat moment al een publicatieverbod). Zo zit een vrouw die gewend is met macht en machtigen om te gaan, niet in elkaar. De werkelijkheid was ook anders:

Lees meer Meryl Streep perst traantjes in The Post

Oorspronkelijk zou Kevin Spacey – onherkenbaar geschminkt – de rol van J Paul Getty spelen in All the Money in the World, maar nadat de acteur ge#metood werd, poetste regisseur Ridley Scott hem weg uit de reeds voltooide film en verving hem door Christopher Plummer. Die steelt meteen de show.

Het verhaal van de film is losjes gebaseerd op de ontvoering van de zestienjarige J Paul Getty III door de Italiaanse maffia in 1973. Zijn grootvader, op dat moment de rijkste man ter wereld, weigerde losgeld te betalen, omdat hij het risico te groot vond dat al zijn kleinkinderen ontvoerd zouden worden. Het plot is min of meer bekend dus, maar toch zit je twee uur op het puntje van je stoel.

Dat is voor een groot deel te danken aan de ijzersterk acterende Plummer, die een staalharde Getty neerzet. Hij wil zijn kleinzoon terug en zet zijn beste onderhandelaar erop, maar het mag geen geld kosten. Ook probeert hij de situatie te gebruiken om het voogdijschap over de kleinkinderen af te dwingen bij zijn voormalige schoondochter. Kortom, een ontzettende klootzak, maar wel de reden om deze film te gaan zien.