Porfolio cultuur: strategie en businessplannen

Uwe Timm: Die Entdeckung der Currywurst

Het is eind april 1945. De Engelsen staan al aan de Elbe, Hamburg bereidt zich voor op een belegering. In de stad ontmoet een vrouw van middelbare leeftijd een jongeman die morgen naar het front moet. Ze brengen samen de nacht door. ’s Ochtends blijft hij liggen in het bed en wordt zo een deserteur – en (niet geheel tegen zijn zin) afhankelijk van een vrouw die weet dat ze nooit meer zo’n minnaar zal hebben als hij. Dat, in het kort, is het plot van Die Enteckung der Currywurst van de Duitse succesauteur Uwe Timm.

Het is in de eerste plaats een onzeker liefdesverhaal tegen een oorlogsachtergrond (dat slecht zijdelings met currywurst van doen heeft). Al lezende begon mij op te vallen hoe razendknap Timm omgaat met spanningsbogen in zijn verhaal. Hij springt in en uit zijn raamvertelling om de lezer even rust te gunnen en plotontwikkelingen voor te bereiden. Er zijn geen grote wendingen of verrassingen, maar toch is het enerverend. Wanneer de liefdesaffaire onvermijdelijk tot een eind komt, volgen nog drie episodes die ieder op een eigen manier het verhaal nog iets mooier rond maken. Je kunt deze novelle misschien wat sentimenteel vinden, maar Timm is een verteller van topniveau.

Stanislaw Lem: The futurological congress

De Poolse science-fictionschrijver Stanislaw Lem is vooral bekend van zijn twee maal verfilmde roman Solaris, over een denkende planeet. Ik kwam, min of meer toevallig, in het bezit van The futurological congress. Daarin is de hoofdrol weggelegd voor astronaut Ijon Tichy, bezoeker van het congres, dat antwoorden moet vinden op de schrikbarende overbevolking van de aarde. Tijdens het congres breekt een revolutie uit, die de regering probeert te counteren door drugs in het drinkwater te stoppen. In de daaropvolgende chaos wordt Tichy neergeschoten.

Hij wordt wakker in 2038, na jarenlang ingevroren te zijn. De wereld draait nu geheel op drugs, die zo specifiek zijn dat je er gericht illusies mee kunt opwekken. Bijvoorbeeld dat je de Nobelprijs hebt gewonnen of een indrukwekkende kunstverzameling bezit. De basisillusies, bijvoorbeeld dat de wereld helemaal geen overbevolkt hellegat is, worden verspreid via de lucht die iedereen inademt.

Lees verder Stanislaw Lem: The futurological congress

Ngũgĩ wa Thiong’o: A grain of wheat

Ngũgĩ wa Thiong’o is een van de groten in de Afrikaanse postkoloniale literatuur, zo’n auteur met een enorme vrijheidsdrang die hem eerst in conflict brengt met de koloniale machthebbers en later met de regering van het zelfstandige Kenia, net als Pramoedya Ananta Toer in Indonesië. A grain of wheat is een van zijn eerste romans, nog geschreven in het Engels, dat hij later zou inruilen voor het Gikuyu.

Net als bij After Lives van Nobelprijswinnaar Abdulrazak Gurnah, die overigens het voorwoord bij mijn editie schreef, draait het in deze roman om een aantal Afrikaanse mannen die verschillende keuzes maken in het leven. Kihika kiest voor de verzetsstrijd die hem het leven zal kosten, Karanja voor het Britse regime, Gikonyo kiest van alles wat, Mugo kiest nergens voor en wordt toch een held. En dan is er Mumbi, de zuster van Kihika, die trouwt met Gikonyo, een relatie heeft met Karanja en later haar toevlucht zoekt bij Mugo.

Lees verder Ngũgĩ wa Thiong’o: A grain of wheat

Hervé le Tellier: Anomalie

Een vliegtuig van Air France belandt op weg naar New York in een zware storm. Het toestel doorstaat de turbulentie en landt veilig. Maar drie maanden later landt het opnieuw, zodat er nu twee toestellen zijn, met twee sets passagiers. Dat is het gegeven van Anomalie, de roman waarmee Hervé le Tellier de Prix Goncourt won.

De roman begint als een mengeling van thriller en science fiction, met de introductie van personages en autoriteiten die niet weten wat ze aanmoeten met dat tweede toestel en al die mensen van wie het origineel drie maanden geleden al aan de grond gezet werd. Dat is allemaal voorspel voor waar het eigenlijk om gaat, namelijk de confrontatie tussen de twee versies van de personages. De een heeft drie maanden meer geschiedenis dan de ander.

Lees verder Hervé le Tellier: Anomalie

Abdulrazak Gurnah: After Lives

Twee jonge Afrikanen belanden in het koloniale leger van Duits Oost-Afrika aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, de ene per ongeluk, de andere uit overtuiging, omdat hij gelooft dat de Duitsers het land werkelijk zullen beschaven. Om deze Hamza en Ilyas draait het in After Lives van Abdulrazak Gurnah, dit jaar de winnaar van de Nobelprijs voor de literatuur. De belangrijkste bijrollen zijn voor Ilyas’ zuster Afiya en Khalifa, een administrateur in een niet nader genoemde havenstad in wiens huis de andere drie personages bij toerbeurt belanden.

Het plot, over hoe Ilyas zijn zuster toevertrouwt aan Khalifa, als hij naar de oorlog gaat, en hoe Hamza bij Khalifa in huis belandt en verliefd wordt op Afiya, is niet zo heel belangrijk (al heeft Gurnah af en toe een kunstgreep nodig om het rond te breien). Het gaat om de tekening van het koloniale tijdperk in wat nu Tanzania heet. Gurnah kiest het Afrikaanse perspectief, maar maakt er een genuanceerder verhaal van dan een strijd tegen overheersing.

Lees verder Abdulrazak Gurnah: After Lives

Douglas Stuart: Shuggie Bain

Het is best wel een hoop ellende die over de kleine Shuggie Bain, en daarmee over de lezer, wordt uitgestort in de veelgeprezen roman van Douglas Stuart. Het is al niet opwekkend wanneer hij nog met zijn vader en moeder bij zijn grootouders inwoont. Maar het begint pas goed als ze gaan verhuizen naar een absolute achterbuurt, waar vader na het uitladen van de spullen zegt: jullie wonen voortaan hier, ik trek in bij mijn minnares, doei.

Terwijl moeder Agnes steeds verder wegzakt in alcoholisme, moet de verlegen Shuggie zich invechten bij de straatkinderen – wat voor geen moment lukt. Zijn oudere zus vertrekt zodra ze mag trouwen, zijn oudere broer houdt het iets langer vol, maar houdt het ook voor gezien. Op zijn tiende is Shuggie verantwoordelijk voor het welzijn van zijn moeder, die soms een opleving heeft, maar altijd weer terugvalt.

Kortom, Shuggie Bain is een tearjerker van jewelste, een soort Oliver Twist, maar dan in het Glasgow van de jaren tachtig en negentig. Douglas Stuart schrijft het allemaal feitelijk en nuchter op, zodat het niet sentimenteel wordt. Absoluut goed geschreven, maar het plot is nogal voorspelbaar. Je voelt de verfilming door Ken Loach al aankomen.

The Rescue: eenvoudig maar nagelbijtend

Het is een standaard opgebouwde documentaire: interviews met betrokkenen, historische beelden en een paar nagespeelde scenes. Je weet hoe het afloopt: de twaalf jongetjes en hun coach worden gered uit de diepe grot in Thailand. Toch zit je twee uur lang met een adrenalinekick in je bioscoopstoel te kijken naar The Rescue. Dat komt door het hoofdverhaal, de schier onmogelijke reddingsoperatie. Tegelijkertijd krijg je mooie psychologische en sociologische doorkijkjes.

Wat mij indertijd het meest bevreemdde: waarom moesten er nou weer westerse duikers aan te pas komen en waarom moest de documentaire om hen draaien? Er zijn in Thailand ongetwijfeld ook goede duikers. Dat raadsel wordt meteen in het begin van de film opgelost. Grotduiken is een extreem specialisme, waartoe een bepaald soort mannen zich aangetrokken voelt: eenzaam, vaak gepest op school, een flink eind in het autistische spectrum. Zij zijn in staat om in een claustrofobische, aardedonkere omgeving volstrekt methodisch te werk te blijven gaan. Het was slikken voor de getrainde jonge mannen van de Thaise marine, maar zij bezaten niet de vaardigheden van het groepje buitenlanders van middelbare leeftijd.

Lees verder The Rescue: eenvoudig maar nagelbijtend

Angelika Schrobsdorff: Jericho, eine Liebesgeschichte

Angelika Schrobsdorff brak in 1961 door met de erotische roman Die Herren. Ze leefde afwisselend in Berlijn, Parijs en Jeruzalem. Ik las haar relaas over een vierde stad: Jericho, eine Liebesgeschichte. De hoofdpersoon daarvan is een vrouw die verliefd wordt op de stad en daar telkens heen reist als ze in Jeruzalem verblijft – zonder er te gaan wonen. Jericho blijft zo een halve fata morgana, een onbestemd ideaal waar je van kunt proeven, maar dat je je niet eigen kunt maken.

De eerste helft van het boek gaat vooral over haar bezoeken aan een vervallen hotel in de oase die Jericho is, de oudste en diepst gelegen stad ter wereld. Dit zijn melancholische, sfeervolle passages. Het karakter van het boek kantelt zodra de intifada begint. Ineens moet er allerlei politiek uitgelegd worden. Het stoffige Jericho wordt een brandpunt van internationale persaandacht. De Palestijnse stedelingen, tot dan toe een dociel gezelschap, bloeien op.

Schrobsdorff zelf is de laatste om te rouwen over het herwonnen Palestijnse zelfbewustzijn. Haar hoofdpersoon feest mee met haar vrienden in Jericho, als het erop lijkt dat het de hoofdstad van Palestina gaat worden. De meer journalistieke invalshoek van het tweede deel vond ik, vanuit literair oogpunt, echter minder interessant dan de dromerige observaties op de eerste tachtig pagina’s.

Ödön von Horváth: Glaube Liebe Hoffnung

Van Ödön von Horváth las ik eerder Jugend ohne Gott, een subtiel maar vernietigend commentaar op het nazisme. Zijn toneelstuk Glaube Liebe Hoffnung is evengoed sociaal geëngageerd. Hoofdpersoon is de 24-jarige Elisabeth die een boete heeft opgelopen omdat ze korsetten heeft verkocht zonder te beschikken over een (dure) colportagevergunning. Ze had het geld niet om geld te kunnen verdienen. In haar pogingen het probleem op te lossen raakt ze steeds verder in de penarie – hetzelfde mechanisme dat je bijvoorbeeld ook in de toeslagenaffaire ziet.

Von Horváth baseerde het verhaal op een waar gebeurde geschiedenis, hem aangedragen door een vriend die bij het gerechtshof werkte en zag hoe allerlei ‘kleine paragrafen’ in de wet mensen straffen omdat ze onfortuinlijk zijn in het leven. De auteur waakt ervoor zijn verontwaardiging uit de dialogen te laten spannen, maar toch ligt het er allemaal wat te dik bovenop om als literatuur geslaagd te zijn. Ik vond het aardig, maar bepaald geen meesterwerk.

The French Dispatch slaat de plank mis

Gaandeweg The French Dispatch bekruipt de kijker het gevoel dat de naam van het stadje waar de film zich afspeelt, Ennui sur Blasé, ook iets zegt over de gemoedstoestand van regisseur Wes Anderson tijdens het maken ervan. Anderson trekt de lijn door die hij bij Grand Budapest Hotel insloeg. Alle aandacht gaat uit naar het visueel perfectioneren van de individuele scènes. Het verhaal komt er bekaaid vanaf.

De ontwikkeling van Wes Anderson doet me denken aan die van Quentin Tarantino. Ook de laatste kreeg na een aantal briljante films de vrije hand en een groot budget, dat hij verkwanselde om onsamenhangende films (het Kill Bill duo) te maken die slechts dienden als vehikel om een obsessie uit te leven. Zonde van het talent. Hopelijk komt het nog goed.