Blogs in de categorie Cultuur

Zelfs op feestelijke foto’s van prijsuitreikingen, waarmee Capharnaum kwistig bedeeld werd, staat hoofdrolspeler Zain al Rafeea erbij met een intens droevige blik in zijn ogen. Zodra hij lacht, krijgt het iets geforceerds. Kortom, de hoofdrol is hem op het lijf geschreven, want veel om vrolijk van te worden dient zich niet aan in Capharnaum.

Zain (zo heet hij ook in de film) groeit op in een arm gezin in Beirut. Naar school gaan zit er niet in. Als zijn jongere zusje wordt uitgehuwelijkt, knapt er iets. Hij loopt weg van huis. Bij toeval vindt hij onderdak bij een Ethiopische gastarbeidster, die in een hutje woont met haar baby. Dat is even leuk, maar dan slaat het noodlot weer toe, en nog een keer. Het verhaal is een tranentrekker uit de school van Oliver Twist en Alleen op de wereld.

Dat de film niet in melodrama ontspoort is te danken aan het briljante spel van Zain. Of spel, waarschijnlijk is Zain gewoon zo, getuige de publiciteitsfoto’s. Een misantroop in het lichaam van een jongen, die iedere tegenslag als een vanzelfsprekendheid ervaart en slechts bij korte vlagen zijn frustratie uit.

In april doen twee Amerikaanse auteurs Rotterdam aan voor een goed gesprek met Ernest van der Kwast bij Boek & Meester: David Vann (maandag 1 april, Bibliotheektheater) en Willy Vlautin (maandag 29 april, Worm). De laatste is ook singer/songwriter en schijnt zijn gitaar mee te nemen. Koop kaartjes bij het loket van Rotown Magic. Korting voor een combiticket.

Heilbot op de maan is een roman geflankeerd door een aantal korte verhalen (die niet in de Engelstalige editie te vinden zijn, dus de Nederlandse vertaling heeft zowaar een meerwaarde). Ik zou van alles kunnen vertellen over de inhoud (depressieve man geeft zich over aan de zorgen van zijn broer), maar één citaat uit het verhaal Ignatius geeft aardig de sfeer van het boek weer:

Hij trachtte door de donkere put in zijn binnenste naar het allerdonkerste te vallen, dwars door zijn gedachten heen. Een gapende afgrond die opzij slingerde en steeds dieper werd, de spelonk van wat hij zijn moest, maar niet was.

Laat me niet vallen van Willy Vlautin is optimistischer van toon: een enigszins naïeve boerenjongen uit Nevada wil professioneel bokser worden. Je voelt aan dat dat wel eens zou kunnen gaan tegenvallen. Spannend en diep menselijk tegelijk.

Voor een interviewprogramma volstaat het niet dat er een goed boek op tafel ligt. Je hebt ook schrijvers met een verhaal nodig. Dat zit bij dit tweetal wel goed, getuige bijvoorbeeld dit gesprek met David Vann en Willy Vlautin die de titelsong van zijn roman zingt.

Meestal staat Christian Bale in een hoofdrol garant voor een leep potje acteerwerk. Dus je zou zeggen: Dick Cheney, de vileine vice-president van George Bush, is wel iets voor hem. Maar of het nou aan de dikke lagen make-up ligt of niet, Bale’s Cheney komt in Vice nauwelijks uit de verf. Het blijft bij wat maniertjes, zoals lispelende woorden uit een scheve mond.

Misschien ook ligt het aan het eclectische scenario van regisseur Adam McKay. Hij wisselt historische passages af met een meta-verhaal en uitlegscènes. Net als in McKay’s film over de kredietcrisis, The big short (ook met Christian Bale), moeten er wel heel veel ballen tegelijk in de lucht blijven. Het klopt op zich allemaal wel, maar je ziet aan alle kanten dat er gepropt is. De ‘kleurloze’ Cheney heeft zich in zijn politieke carrière op zoveel vlakken misdragen dat het misschien wat te ambitieus is om het in één film te proppen. Ik vraag me ook wel af of het te volgen is als je niet enigszins ingevoerd bent in de materie.

Dit alles neemt niet weg dat er genoeg te genieten valt. Ik vond Sam Rockwell erg sterk als George Bush. Halverwege, bijvoorbeeld, begint ineens de aftiteling, waarna de film alsnog doorgaat. Ook als de echte aftiteling een eindje onderweg is, volgt er nog een interessante scène, die het pamfletkarakter van de film (moet je zien wat deze kerel allemaal aan smerigheid bekoksfoofd heeft) enigszins relativeert.

Patrick Modiano won de Nobelprijs voor de literatuur in 2014. Ik begon daarom met enige verwachtingen aan Ring Roads, het laatste deel van zijn trilogie over de bezettingsjaren in Frankrijk. Het viel een beetje tegen. Stilistisch was er niets mis mee. Modiano weet het beklemmende leven onder de Duitse overheersing prachtig neer te zetten, soms in een paar woorden. Maar het verhaal…

Hoofdpersoon Serge strijkt neer in een dorpje waar zijn vader Chalva het hoofd boven water houdt in gezelschap van dubieuze lieden die hem ieder moment kunnen verraden. Zolang hij zijn nut bewijst, is hij veilig. Serge heeft zijn vader meer dan tien jaar niet gezien en houdt zijn identiteit verborgen. Halverwege de roman wordt duidelijk dat een pijnlijke gebeurtenis de oorzaak is van hun scheiding, terwijl ze tot die tijd als oplichters samen optrokken. Serge wil zijn vader redden, maar weet niet of dat op prijs gesteld wordt, gegeven ‘het incident’.

Dat laatste gok ik, want uit het verhaal wordt het niet duidelijk. Het gaat heel veel over het dronkemansgebral van de journalist/afperser en zijn vriend de ex-legionair, die de vader in hun omgeving dulden. Wat precies het arrangement is, wordt nergens helder. Waarom Serge zo omslachtig te werk gaat bij het ‘redden’ van zijn vader blijft ook in nevelen gehuld. Vrijwel achteloos pleegt Serge een zinloze moord die alleen maar ellende kan veroorzaken. En als vader en zoon uiteindelijk op de vlucht slaan, denk je ook niet: die zien ze nooit meer terug.

Kortom, wat mij vrijwel vanaf de eerste bladzijde hinderde was het compleet ontbreken van logica of noodzaak voor de handelingen van de personages. Men doet maar wat – terwijl je zou denken dat Joden die in bezet Frankrijk het vege lijf willen reden wat meer geconcentreerd te werk zouden gaan. Misschien is dat geklungel juist het punt dat Patrick Modiano wil maken, maar ik houd nu eenmaal van wat meer coherentie. (Overigens is dit een van Modiano’s vroegste romans, dus beschouw dit niet als een oordeel over zijn auteurschap als geheel)

A general theory of oblivion van José Eduardo Agualusa is het eerste boek van een Angolese auteur dat ik ooit las. Een veilige keuze, min of meer, als je aanneemt dat de shortlist van de Man Booker Prize een kwaliteitsstempel is. Het onderwerp intrigeerde me ook direct: op de avond voor de onafhankelijkheid van Angola metselt een Portugese vrouw zich in in haar appartement in Luanda. Dertig jaar verschanst ze zich daar, tot een kleine gauwdief via het balkon binnensluipt.

In de loop van het verhaal glippen steeds meer personages het plot binnen, dat op den duur nogal onoverzichtelijk wordt. Een buurman die een nijlpaard op zijn balkon houdt, bijvoorbeeld, en zijn oude vriend, de politieke gevangene die miljonair geworden is en die hem uit het appartement uitkoopt. Op een gegeven moment duikt er een alwetende verteller op die samenzweert met de lezer (“laten we nu terugkeren naar …”). Er valt dus wel een en ander aan te merken op het werk van Agualusa.

Maar wat een heerlijke roman. Korte, snappy scènes. Kleurrijke personages. Bizarre wendingen. Af en toe een gedicht ertussendoor. Allemaal geschreven in een kraakheldere stijl. Agualusa laat misschien af en toe een steek vallen, maar ‘A general theory of oblivion’ verdient een groot publiek. Er is overigens een Nederlandse vertaling.

Nadat ik Italo Calvino’s klassieker ‘Invisible Cities’ uitgelezen had, voelde ik me een beetje dom. Binnen een raamvertelling met Marco Polo en Kublai Khan biedt Calvino tientallen beschrijvingen van abstracte steden. Ik had werkelijk geen idee wat ik hiermee moest. De wikipedia-pagina met een matrix van de verschillende soorten steden bracht enige uitkomst. De steden zijn parabels over de menselijke conditie. Zo ver was ik ook gekomen.

De betiteling roman impliceert dat er een verhaal verteld gaat worden. Dat doet Calvino hier niet, anders dan in If on a winter’s night a traveller, ook een conceptuele roman. Invisible Cities is een matrix van ideeën. Calvino verdient alle bewondering om zijn originaliteit en de mathematische precisie waarmee hij zijn ideeën vormgeeft. Ik zal hem blijven lezen om ervan te leren als schrijver, niet zozeer omdat zijn boeken me werkelijk raken.

Het boek heet Minna needs rehearsal space.
Het boek is geschreven door Dorthe Nors.
Het boek gaat over Minna.
Minna’s vriendje Lars heeft het uitgemaakt.
Minna is ongelukkig.
Minna is bijna veertig.
Minna wil een kind.
Minna heeft een opdringerige zus die Elisabeth heet.
Minna mist haar vader.
Minna is hard aan vakantie toe.
Het boek heeft niet zo’n bijzonder verhaal.
Het boek is experimenteel geschreven.
Het boek houdt niettemin de aandacht vast.
Christian heeft het boek met plezier gelezen.

Jonathan mag bij gebrek aan bewijs naar huis. Het is het woord van zijn advocaat tegen dat van het meisje. Hij is vastbesloten nooit meer zoiets te doen. Daarvoor heeft hij van de psychiater een werkboek meegekregen. Als hij maar netjes zijn oefeningen maakt, zal hij zich niet meer misdragen, en al helemaal niet jegens het nieuwe buurmeisje in haar strakke badstofbroekje. Echt, aan Jonathan, de hoofdpersoon in Muidhond van Inge Schilperoord, dat ik eindelijk las (het verscheen in 2015), zal het niet liggen.

Als lezer weet je al vrij snel dat dit goed kan gaan. Jonathan is niet zo slim en laat zich makkelijk meeslepen in obsessies. Het eenzame meisje klampt zich aan hem vast. Samen zorgen voor de hond Milk en de naamloze muidhond, een gewonde vis die Jonathan uit een meertje heeft opgevist. Jonathan ziet kans de vis een beetje op te lappen, maar kijkt dan machteloos toe hoe het steeds slechter gaat met de vis, die uiteindelijk met zijn buik boven komt drijven.

Nu moet ik goed opletten, dacht Jonathan. Nu. Het begint nu. Hij legde zijn trillende handen in zijn schoot en wreef met de duim van zijn rechterhand langzaam over het kootje van zijn linker, in de hoop dat het hem kalm zou maken.

De eerste zinnen van Muidhond

Schilperoord dwingt de lezer knap in de gedachtengang van de zedendelinquent. Het is moeilijk om een hekel te krijgen aan Jonathan, ondanks wat hij gedaan heeft en weer zal doen. Hij doet zo zijn best om zich te gedragen, maar het lukt hem gewoon niet. Aan het eind wijkt Schiperoord weg van de gebeurtenis waar ze op aanstuurt, naar een niet minder gruwelijk einde. Dat is ergens wat gemakzuchtig. Dit neemt echter niet weg dat ze met Muidhond een beklemmend verhaal geschreven heeft dat de lezer onvermijdelijk bij de strot grijpt en door de pagina’s sleurt.

Na een nachtmerrie besluit de jonge vrouw Yeong-hye om vegetariër te worden. Zoiets doe je in Zuid-Korea alleen als je een strikte boeddhist bent. Dus haar man, de verteller in het eerste deel van De vegetariër, vindt het maar genant. Hij kan zich met haar eigenlijk niet meer in het openbaar vertonen, zeker niet nadat ze bij een etentje met zijn baas geen hap door haar keel heeft gekregen.

In dat eerste deel van de roman, die in 2016 de Man Booker International Prize won, lijkt het alsof schrijfster Han Kang je een Murakami-achtig universum binnen gaat leiden, met steeds mysterieuzere gebeurtenissen. Dat is niet het geval. In het tweede deel wordt Yeong-hye’s gedrag beschreven vanuit het perspectief van haar zwager, die haar uit de kleren wil praten. Het gemak waarmee dat lukt beangstigt hem – en dat is niet geheel onterecht. Het derde deel laat Yeong-hye’s oudere zus aan het woord. Er is dan niets bovennatuurlijks aan het verhaal, alleen gruwelijke werkelijkheid.

Han Kang, gevierd in eigen land, schreef de eerste twee delen, ‘De vegetariër’ en ‘Mongolenvlek’, oorspronkelijk als afzonderlijke verhalen. Pas het derde deel, ‘Vlammende bomen’, verbindt ze aan elkaar, zij het op een manier die net wat te uitleggerig is. Zodra die uiteenzetting achter de rug is, slaat dat derde deel een eigen koers in naar een indrukwekkende finale.

Een Franse fotograaf en illustratrice, op bezoek in Seoul, struikelen over een kleine boedhistische monnik die Frans blijkt te spreken. Zij zien in hem een manier om het authentieke Korea te leren kennen, hij in hen hefboom om in het buitenland te geraken. De ontmoeting zet een hele reeks aan vreemde gebeurtenissen in gang in The Little Buddhist Monk van de Argentijnse auteur César Aira.

Na wat struinen door de straten van Seoul en een goede lunch met champagne stapt het trio op de trein naar een afgelegen tempel waar nooit toeristen komen, aldus de monnik. De perfecte plek voor fotograaf om zijn bijzondere techniek op los te laten. Terwijl hij bezig is, begint wel op te vallen dat de overige monniken zich vreemd gedragen. Heel intrigerend, al moet er wel een deus ex machine aan te pas komen om het verhaal tot een goed einde te brengen.

Aira is een ouderwetse verteller. Niks show don’t tell, de Argentijn kent de gedachten van al zijn karakters en beschrijft de gebeurtenissen van een afstand. Voor een vreemd verhaal als dit werkt dat prima. Maar door het afgeraffelde plot aan het eind blijf je als lezer toch met een onbevredigd gevoel achter.