Porfolio cultuur: strategie en businessplannen

Vergeet het hele superheldenuniversum waarin Joker ontstond. Vergeet ook de vertolking van Heath Ledger. De man die Joaquin Phoenix neerzet in Joker heeft daar allemaal niks mee te maken. Dit is een film over een kwetsbare man die in zijn pijn en verwarring naar geweld grijpt om zichzelf te verdedigen. Misschien een beetje overdreven om die pestkoppen zo bloederig af te maken, denk je als kijker, maar ze hadden het er wel naar gemaakt.

Iedereen ziet dat Arthur een makkelijk doelwit is. De straatschoffies die zijn reclamebord afpakken en hem in elkaar slaan. De collega’s van de clowncentrale. De drie dronken bankiers in de metrowagon. Het publiek in de comedyclub. De televisiekomiek die een slachtoffer zoekt voor zijn show. Arthur ondergaat het, blijft altijd optimistisch. Dat zou best wel eens met zijn medicijnen te maken kunnen hebben, die worden wegbezuinigd door de gemeenteraad van Gotham. Er heerst chaos in de stad vanwege de economische malaise. De moord op drie bankiers door een clown werkt als een katalysator. De demonstranten hullen zich in clownsmaskers. De antiheld wordt een held.

Lees meer Een diep tragische Joker

Net als eerdere boeken die ik van Yuri Herrera las, speelt Kingdom Cons zich af aan de Mexicaanse zijde van de grens met de Verenigde Staten. Een droomwereld waarin iedereen bezig is met ‘de andere kant’. Een wereld van arme mensen op zoek naar iets beters, mensen die weten dat die zoektocht door schimmige onderwerelden leidt, maar daar liever niet teveel aan denken.

De hoofdpersoon van Kingdom Cons is Lobo, een muzikant die sappelt in de bars van een grensstadje, totdat hij de aandacht trekt van een drugsbaas, De Koning, die hem uitnodigt in zijn Paleis. Vanaf dat moment verliest Lobo zijn naam en wordt De Artiest op een plek waar iedereen onder zijn bijnaam leeft. Het Paleis leeft voortdurend onder hoogspanning en de vraag is of De Artiest zich daarin staande gaat houden.

Het knappe van Yuri Herrera is dat hij je binnen een paar pagina’s bij de lurven heeft en zijn wereld binnen sleept (wat ook wel moet, want hij schrijft dunne boeken). Hoe hij dat precies doet, zie ik ook na herlezing niet precies. Zijn personages zijn bijna naamloze getormenteerde schimmen, hun wereld is onwerkelijk en wreed. De connectie met de gewelddadige werkelijkheid aan de Mexicaanse grens is helder, maar tegelijk ook niet. Alle afzonderlijke zinnen zijn kraakhelder, maar in de nevel ertussen weet Herrera onwaarschijnlijk veel op te roepen.

Even snel binnen kijken, dacht ik, toen ik afgelopen zomer de Santa Maria Nabea in San Sebastián binnen liep. Het leek een gewone barokkerk, maar dat bleek slechts ten dele waar. Een zijvleugel bleek omgebouwd te zijn tot een klein museum voor religieuze kunst, met prachtige lichtinval. Een trap omhoog naar bijgebouw leidde naar hypermoderne lichtkunst met een contemplatieve inslag. Meer dan een uur had ik nodig om deze prachtverbouwing tot me te nemen.

Een plaquette in het museum leidde naar de daders: Rafael Moneo en Pedro Elcuaz. De eerste is een internationaal kanon, onder andere winnaar van de Pritzker Prijs, de tweede zijn jongere collega. Samen zijn ze onder meer ook verantwoordelijk voor het Attocha station in Madrid. De verbouwing van de zijvleugel in de Santa Maria Nabea tot museum had anderhalf miljoen euro gekost, las ik later. Eenmaal buiten zag ik ook dat enkele blinde muren van moderne kunst waren voorzien. Traditie en moderniteit waren prachtig in elkaar geweven.

Ik wist meteen: dit wil ik ook in Rotterdam. De Laurenskerk verdient een upgrade die haar zowel spiritueel als toeristisch naar een hoger plan tilt. Een plek waar je komt voor een moment van stilte, zoals de inwoners van San Sebastián, maar ook een trekpleister voor bezoekers van buiten. Een open ontmoetingsplek in het plechtige hart van de stad. Daar maak ik me graag hard voor.

Ergens aan het begin van Quentin Tarantino’s nieuwe film Once Upon a Time … in Hollywood komt in een flits een neonreclame TONYA voorbij. Het zal geen toeval zijn dat dit de glansrol was waarmee de Australische actrice Margot Robbie zich in de kijker speelde. Bij Tarantino is niets toeval. De bleue Sharon Tate die hij Robbie laat vertolken in zijn film steekt helaas flets af tegen de ongrijpbare Tonya. De actrice komt er deze keer bekaaid vanaf.

Once upon a time … is in de eerste plaats een excuus om Leonardo di Caprio in een onwaarschijnlijke hoeveelheid pakjes te steken, en Brad Pitt in strakke shirts. De mannen spelen een westernacteur in zijn nadagen en diens stuntman annex chauffeur annex klusjesman. Het verhaal speelt zich af in de aanloop naar de moord op Sharon Tate, maar heeft daar verder weinig mee van doen. Veel plot is er evenmin. Wat dat betreft heeft Tarantino Pulp Fiction nooit meer overtroffen.

De kracht van het scenario zit in de moeiteloze manier waarop de regisseur een tijdsbeeld van Hollywood anno 1969 vervlecht met beelden uit de films en televisieseries waarmee de mannen groot zijn geworden. De meeste filmverwijzingen zijn mij ongetwijfeld ontgaan, maar de eyecandy is fantastisch en de soundtrack is ook dik in orde (al heeft Tarantino wel heel veel nummers erin gepropt, terwijl hij toch bijna drie uur film heeft afgeleverd). Fijne cinematotaalervaring.

Bij vlagen is het moeilijk voorstelbaar dat Het land van herkomst van E. du Perron vele decennia ná Max Havelaar verschenen is. Vanuit literair oogpunt verdient het zijn bijzondere plaats in de Nederlandse letteren, maar de volkomen vanzelfsprekende acceptatie van het koloniale gedachtengoed doet de moderne lezer op zijn minst enigszins fronsen. Met als curieuze bijkomstigheid dat Du Perron een groot bewonderaar van Multatuli was.

Het autobiografische verhaal is een klassieke raamvertelling. De hoofdpersoon vertelt over zijn huidige leven, in het bijzonder zijn geldzorgen, in Brussel en Parijs. Zijn moeder is overleden en er zijn problemen met de verkoop van het landgoed. De situatie is op een gegeven moment zo nijpend dat zijn geliefde en hij hun intrek moeten nemen in een hotel in Bretagne. Gelukkig zijn er vrienden om mee te converseren over het schrijverschap, de wedijver tussen communisme en fascisme (het is 1934), de relaties tussen mannen en vrouwen en alles wat zoal ter sprake kan komen in intellectuele kringen.

Parallel vertelt de hoofdpersoon over zijn jeugd op Java. Het kolonialisme is dan nog in full swing, en het is duidelijk dat inlanders geslagen moeten worden als ze niet gehoorzamen. Als vader en moeder van huis zijn, valt deze taak toe aan de elfjarige. Tegen de tijd dat het vertrek naar Nederland nadert, nemen de hormonen het over en gaan de flashbacks vooral over al dan niet onwillige meisjes.

Lees meer E. du Perron: Het land van herkomst

Gravity’s Rainbow van Thomas Pynchon is zo’n boek met een gebruiksaanwijzing. Ik las het op aanraden van Michael Chabon, die het als een belangrijke inspiratiebron aanhaalde voor zijn eigen roman Moonglow. De Nederlandse vertaling van Gravity’s Rainbow flopte in 1974 totaal en is nooit meer herdrukt. In de VS geldt het als een van de grote meesterwerken van de twintigste eeuw. De jury van de Pullitzer Prize bekroonde het indertijd, maar het bestuur floot die beslissing terug. Het boek zou ‘onleesbaar’ en ‘obsceen’ zijn.

Enfin, Gravity’s Rainbow is een baksteen van 900 pagina’s met een onnavolgbaar plot, een stortvloed aan beelden en metaforen, zo’n 400 personages, talloze culturele, historische en wetenschappelijke verwijzingen, een enkele wiskundige formule en inderdaad het een en ander aan (ranzige) seks, in één geval met een meisje van elf (daar werd in de jaren zeventig anders over gedacht dan nu). Sowieso dienen vrouwen in het boek alleen als seksuele decoratie en grossiert Pynchon in raciale stereotypen. Daarnaast wordt er het nodige aan drugs gebruikt door de vele karakters, en het is verleidelijk te denken dat Pynchon het hele boek als een grote trip geschreven heeft, maar daarvoor is het in al zijn krankzinnigheid weer veel te coherent.

Lees meer Thomas Pynchon &?8211; Gravity&?8217;s Rainbow

J. Kessels heet Lennox in De goede zoon van Rob van Essen. In het eerste hoofdstuk van de roman neemt de brutale vriend en verteller, een sullige schrijver van plotloze thrillers, mee op een vage missie waarbij ze onder andere een nachtclub aandoen. Het volgende hoofdstuk begint in de Jiskefet-kantoormodus, gevolgd door passages over een zwaar gereformeerde jeugd. De roman zet allemaal vinkjes bij onderwerpen die Nederlandse lezers boeien.

Maar ik zou Rob van Essen tekort doen als ik het daarbij liet. Hij schrijft in een heerlijke fuckyoumodus, gaat zelfs een paar keer de discussie aan met zijn eindredacteur, dist een onwaarschijnlijk plot op over een geheime organisatie met tientallen werknemers die over lijken gaat om het leven van de hoofdpersoon in de gewenste banen te leiden. En dan is er nog iets met zelfrijdende auto’s annex psychiaters en een apparaat waarmee je door iemands hoofd kunt lopen (Malkovich!).

Lees meer Rob van Essen: De goede zoon

Soms heb je van die voetbalwedstrijden die veelbelovend van start gaan, met een paar snelle aanvallen en een bal op de paal, bijvoorbeeld, maar waar daarna de klad in komt. Je kunt niet zeggen dat er niks gebeurt, want de bal wordt nog steeds heen en weer geschoven, maar de spelers zijn door angst voor een tegendoelpunt bevangen. Ergens weet je wel dat het 0-0 zal blijven, maar je kijkt toch verder in de hoop op iets van bevrijding. Dat gevoel bekroop me bij het lezen van Die Angst des Tormanns beim Elfmeter, de klassieker uit 1970 van Peter Handke, die al snel verfilmd werd door Wim Wenders.

Het verhaal draait om monteur Joseph Bloch, die op een dag wegloopt van zijn werk omdat hij denkt ontslagen te zijn. Dat blijft Bloch de hele roman door doen, ergens in een impuls naartoe gaan, er na aankomst niet weten wat te doen en dan weer weglopen. In het begin vermoordt hij een vrouw met wie hij is meegegaan. Daarna is hij op de vlucht voor de politie, maar daar lijkt hij zich niet bijzonder druk om te maken. Bloch blijft hangen in een grensdorpje waar hij niks te zoeken heeft behalve een oude vriendin die niets meer is dan dat.

Lees meer Peter Handke: Die Angst des Tormanns beim Elfmeter

Dit is een van de raarste boeken die ik de laatste jaren gelezen heb. De vette jaren van Chan Koonchung is een roman. Maar het bevat ook lange sociaal-economische verhandelingen over het huidige China en politieke beschouwingen. Het verhaal is daaromheen gebouwd. Normaal zou je zeggen: mislukt als roman. Maar dat is dan ook weer niet het geval.

De hoofdpersoon is Lao Chen, een succesvolle schrijver van Taiwanese afkomt die al jaren in Beijing woont. Hij krijgt bezoek van zijn vriend Fang Caodi, die hem vertelt dat er een hele maand verdwenen is. Direct na de wereldwijde economische crisis van 2008, die voor China juist vette jaren inleidde, zijn 28 dagen verdwenen uit de boeken. Niemand weet meer wat er toen gebeurd is, zelfs als hij die dagen zelf heeft meegemaakt. Fang wil dat zijn vriend hem helpt de verloren maand terug te vinden.

Tijdens de ongerichte zoektocht die volgt, passeren verschillende andere karakters de revue, die ieder hun levensverhaal mogen vertellen. Er zit een half uitgewerkte liefdesgeschiedenis bij, maar vooral veel dialogen over de recente Chinese geschiedenis. Chan Koonchung hanteert daarbij een droge, feitelijke stijl zonder beeldspraak of andere poespas. Er moet een deus ex machina aan te pas komen om op de laatste pagina’s die verdwenen maand uit te leggen.

Ondanks de literaire tekortkomingen is De vette jaren echter een intrigerende roman, die op het Chinese vasteland niet officieel verkrijgbaar is. Dat komt door het omineuze beeld dat het van China schetst als een land met een falend geheugen, met een bevolking die zich met materiële welvaart laat ringeloren door een elite die voorgeeft met iedereen het beste voor te hebben. Wie dit leest begrijpt een beetje beter waarom de inwoners van Hong Kong zo tegenstribbelen, soms hoopvol, soms met de moed der wanhoop.

Aan het eind van mijn recensie van De jaren Pep noteerde ik dat het beste Nederlandse stripwerk geleverd werd in de eerste tien jaren van opvolger Eppo. Logisch dus dat auteur Ger Apeldoorn een vervolg schreef, met de even logische titel De jaren Eppo. De formule is hetzelfde: een chronologisch overzicht van de gepubliceerde strips en de redactionele afwegingen erachter, met heel veel illustraties.

Natuurlijk is het leuk om al die oude strips voorbij te zien komen, naast de evergreens (Agent 327, Storm, Franka) ook al die prachtige strips die in de vergetelheid zijn geraakt (Professor Palmboom, Steven Severijn en heel wat werk van Dick Matena). Maar eigenlijk is de stripgeschiedschrijving erachter veel interessanter. Ger Apeldoorn weet die nostalgische snaar ook goed te raken.

Lees meer Ger Apeldoorn: De jaren Eppo