Aanbevolen romans en novellen

De romantiek van Thomas Mann

1619

Pas toen ik het boek in handen had, besefte ik dat ‘Dood in Venetië’ van Thomas Mann geen roman is, maar een verhaal, een long short story, zoals de Amerikanen zeggen. Het is doorgaans gebundeld met een aantal andere semi-autobiografische verhalen van Mann.

Er wordt in de verhalen nogal geworsteld met de liefde door adolescenten, jongemannen en heren van gevorderde leeftijd. Wanhopig verliefd zijn ze, maar de vrouwen en enkele man in kwestie geeft geen sjoege, hoe graag de hoofdpersoon dat ook zou willen. ‘Dood in Venetië’ is in twee opzichten het eindpunt van de ontwikkeling in de verhalen. Ten eerste omdat het object van liefde een jongen van veertien is, dus per definitie onbereikbaar, en ten tweede omdat de liefde een vrijwel volledig geabstraheerd duister verlangen is geworden, een broertje van de dood.

Mann etaleert zijn hoofdpersonen expliciet met al hun twijfels, zoals ook Dostojevski dat doet. Maar waar de morele dilemma’s die de laatste schetst meer dan een eeuw later nog staan als een huis, doet de romantiek van Mann gedateerd aan. Een moderne redacteur zou van ‘Dood in Venetië’ een nog veel korter verhaal gemaakt hebben.

Mama Tandoori

1608

Vanavond wordt in Lantaren/Venster de tweede roman onder eigen naam van Ernest van der Kwast ten doop gehouden. Mama Tandoori heet het en ik ben al in de gelegenheid geweest om Ernest enkele fragmenten te horen voorlezen. Het gaat over zijn moeder en de rest van zijn Indiase familie, met al hun eigenaardigheden. Trefwoorden: vaart, humor, liefde.

Check ook de trailers

Update een dag later: Gelezen. Het was precies wat ik me ervan had voorgesteld, al is het boek eerder een verzameling verhalen rond een thema dan een roman. Gelukkig heeft Ernest al toegegeven dat het niet allemaal waar is wat er in deze autobiografie staat. En verder sluit ik me aan bij de bespreking in de papieren NRC: het had nog sterker kunnen zijn als de tragische laag in deze tragikomedie wat verder uitgediept was. Alle reden om naar het volgende boek uit te kijken.

Beste Zwagerman ooit

1594

Toegegeven, ik heb maar twee romans van Joost Zwagerman gelezen. Gimmick stond prachtig in de tijd, maar was inhoudelijk noch stilistisch een topper. Over De Buitenvrouw zal ik het maar niet hebben. Ook Zwagerman zelf leek de laatste jaren te vinden dat zijn forte in de essayistiek lag.

Maar nu is er dus het boekenweekgeschenk Duel, en dat verdient een dikke vette plus. Het gaat over een museumdirecteur die een van zijn belangrijkste schilderijen ontvreemd ziet en er zelf achteraan gaat om de dader, een jonge kunstenares, te ontzien. Het is spannend en Zwagerman ziet knap kans om kunstkritiek naadloos in het plot te weven. Stilistisch is hij nog altijd geen wonderkind, maar de zakelijke stijl, inderdaad tegen het essayistische aan, past goed bij het verhaal.

Het voorbeeld van George Orwell

1592

D-503 is een loyaal inwoner van EenStaat, die netjes zijn dagelijkse schema afwerkt en regelmatig gebruik maakt van de sexformulieren om het te doen met O-90. Dan maakt hij echter kennis met I-330, die allerlei verboden dingen doet, zoals roken, drinken en er individuele gedachten op nahouden. Langzamerhand begint D-503 een ziel te ontwikkelen en dat brengt hem onvermijdelijk in conflict met de Weldoener, die waakt over EenStaat. Het individu heeft namelijk maar één lotsbestemming: zich ondergeschikt te maken aan het collectief.

Komt dat plot een beetje bekend voor? Dat klopt, George Orwells 1984 is namelijk gemodelleerd naar de roman Wij van Yevgeny Zamyatin, die hem schreef in 1920, zelfs nog tien jaar voor Brave New World. Het is daarmee een van de eerste dystopische romans.

Omdat de handeling bij Zamyatin, anders dan bij Orwell, erg afstandelijk blijft, is het boek als roman minder meeslepend. Maar zijn idee om een technologisch toekomstbeeld te verbinden met een totalitaire staat, staat als een huis. Zamyatin had mazzel dat hij van Stalin in 1931 Rusland mocht verlaten in plaats van de gulag in te verdwijnen.

Virtuele sex anno 1973

1585

Parijs, 1973. Een rijke jonge vrouw ligt op sterven. Ze heeft een telefonische relatie. Zij heeft zijn nummer wel, hij het hare niet. Urenlang hangen ze bij elkaar aan de lijn. Hun liefde is fysiek vermoeiend. Hij verlangt een ontmoeting. Op alle afspraken die ze maken komt ze niet opdagen. Als ze tenslotte een foto laat bezorgen, stuurt hij die terug: ze voldoet niet aan het beeld dat hij van haar heeft. Ouders bemoeien zich ermee, bedienden. Overal hangt de schaduw van de dood overheen.

Vervang telefoon door internet en ‘Nachtschip Night’ van Marguerite Duras is zo actueel als het maar wezen kan. Duras tekende het verhaal op uit de mond van de jongeman die het heeft meegemaakt. Het verscheen in een literair tijdschrift, er werd een film van gemaakt, voor toneel bewerkt. Dat kan omdat de tekst zelf fragmentarisch is, alsof Duras de aantekeningen van het gesprek met de jongeman alleen heeft ingetikt, niet uitgewerkt. Maar misschien is het juist die beperking tot de essentie die maakt dat het verhaal de tand des tijds doorstaan heeft.

De onzichtbare jongen

1576

Met ‘De onzichtbare jongen’ las ik voor het eerst in tijden weer eens een roman van Bernlef. Het gaat over de vriendschap aan het eind van de jaren veertig tussen twee schooljongens, Wouter van Bakel en Max Veldman. Max is de ‘odd one out’ van de twee, met zijn fotografische geheugen en obsessie met windsnelheden.

Het boek is met name geslaagd als sfeertekening van Amsterdam vlak na de oorlog, een periode die literair in het niemandsland ligt tussen de oorlog zelf en de jaren vijftig. Het tweede deel van het boek, waarin Wouter en Max elkaar onder bijzondere omstandigheden jaren later weer treffen, is minder geslaagd. Het slot is zelfs larmoyant te noemen.

Maar wat me vooral teleurstelde waren de stilistische slordigheden. Bernlef heeft naam gemaakt met karig gebeiteld proza in ‘Sneeuw’ en ‘Onder ijsbergen’, maar hier babbelt hij er lustig op los, in zinnen met teveel stoplappen en gemeenplaatsen. Een voorbeeld:

“En toen kwam het moment waarop ik voor het eerst onder de elf seconden liep. Dat gebeurde op een septemberdag in Amersfoort.” Daar had moeten staan: “Op een septemberdag in Amersfoort liep ik voor het eerst onder de elf seconden.” De strakke Bernlef van dertig jaar geleden had dat nooit laten gebeuren.

Haïti als decor voor een tragikomedie

1389

Haïti in de dagen van Papa Doc. Drie mannen, Brown, Smith en Jones, komen met de boot aan in Port-au-Prince. De eerste is een verlopen hoteleigenaar, de tweede een idealistische vegetariër en de derde een allround avonturier – althans, zo doet hij zich voor.

Ziedaar de premisse van Graham Greene’s roman The Comedians. De drie komen elk op hun eigen manier in aanraking met het regime en verliezen in de loop van het verhaal hun illusies. De dictatuur en haar agenten spelen een belangrijke rol in de ontwikkeling van het plot, maar de roman gaat eigenlijk niet over Haïti. Dat is slechts het decor voor een tragikomedie.

Brown, de verteller, is teruggekeerd voor zijn gedoemde relatie met de vrouw van de Britse ambassadeur, niet voor zijn hotel zonder gasten. Hij neemt wel Smith en diens vrouw onder zijn hoede, een tweetal wier optimisme en naïviteit wonderbaarlijk opgewassen blijkt tegen de corrupte werkelijkheid. Jones gaat zijn eigen gang, maar belandt uiteindelijk ook wanhopig op Browns stoep.

The Comedians is een van Greene’s betere romans, een beetje in de lijn van het bekendere The honorary consul, ook over westerlingen die zich in een vreemd land in de nesten werken. Pap Doc was het er niet mee eens. Hij schreef een vernietigende recensie en Greene was niet meer welkom op het eiland. Ook een reden om dit boek te lezen.

De avonturen van Kavalier en Clay

Josef Kavalier is een joodse ontsnappingskunstenaar die aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog Praag ontvlucht. Hij belandt in New York, bij zijn neef Sam Clay. Samen verzinnen ze The Escapist, een superheld die het opneemt tegen de nazi’s.

Zo begint The amazing adventures of Kavalier en Clay van Michael Chabon, die ik eerder al had leren kennen als een heerlijke verhalenverteller. Het is zo’n boek dat je liefst in een ruk zou uitlezen, ware het niet dat het 650 bladzijden telt. Joe en Sam worden succesvol, verliezen hun geld weer, zijn (on)gelukkig in de liefde – twee verbonden levens trekken voorbij. En dan zijn ze aan het eind van het boek nog geen veertig. Er zijn zoveel open eindjes dat er rustig een vervolg zou kunnen verschijnen.

Een psychologische roman is het niet, en ondanks Joe’s angsten over zijn achtergebleven familie in Praag, gaat het ook niet over de oorlog. Het heeft alle trekken van een avonturenroman – zeker het nogal uit de toon vallende hoofdstuk over Joe’s tijd als soldaat op Antarctica – maar dat klinkt dan weer te oppervlakkig. Ook dit tweede boek dat ik van Chabon lees, kruipt weer briljant tussen de genres door. Dat op zich is al een verbluffende prestatie. Op naar nummer drie.

Verhaal en film als een labyrinth

1356

Alain Robbe-Grillet is een van de grondleggers van de ‘nouveau roman’, las ik op de achterflap van ‘In the labyrinth’, dat ik in eerste instantie opgepakt had vanwege het fraaie ontwerp. In tweede instantie sprak het onderwerp me aan: een soldaat op de vlucht zwerft door een labyrintisch stadje, op zoek naar degene bij wie hij een pakje moet afleveren.

Het boek bleek een mix van impressies en flarden van een verhaal, vol herhalingen en associaties. Moeizaam om te lezen, maar wel heel intrigerend. Veel gebeurt er niet. De soldaat zwerft en komt wat mensen tegen, maar niet degene die hij zoekt. Het sneeuwt aan een stuk door. De spanning loopt op, want de vijand nadert en voor die tijd moet hij echt van dat pakje af.

Al lezende kreeg ik associates met twee films van Alain Resnais, Hiroshima mon amour en vooral L’année dernière à Marienbad, die even hypnotiserend en onnavolgbaar waren. Het scenario van de laatste blijkt van Robbe-Grillets hand. Curieus hoe je een vertelstijl in twee media kunt herkennen, al is het verder niet bijzonder aan mij besteed.

Een bizarre expeditie in Liberia

1352

In 1935 dacht Graham Green, nog niet eerder buiten Europa geweest, dat het een goed idee was om zonder kaart of plan door de bush van Liberia te trekken. En daarbij zijn nicht Barbara mee te nemen. De bizarre expeditie boekstaafde hij in Journey without maps.

Het eerste waar je je over verbaast is hoeveel bagage het duo meeneemt. Ingeblikt eten voor de hele reis, een grote krat whisky, draagmatten om zelf niet te hoeven lopen. Een hele karavaan trekt in het kielzog van de twee Europeanen door het oerwoud, over paadjes van een voet breed of zo, want meer infrastructuur was er niet.

Ze passeren dorpjes, krijgen te maken met een opstand onder de dragers, worden behoorlijk ziek, zien allerlei curieuze gebruiken en komen enkele kleurrijke karakters tegen – kortom alles wat je op een toeristische tochtje zoal voor de kiezen krijgt. Alles met grote vaart opgeschreven, maar ‘bizar’ is toch het sleutelwoord dat na afloop blijft hangen.